Soms is de bijrol belangrijker dan de hoofdrol, soms zit een hoofdrol er niet in, en vaak blijven belangrijke bijdragen voor het grote publiek 'buiten beeld'. Bijrollen dus, in soorten en maten. Vandaag: Janine Brogt, dramaturg.
Als ze haar eigen beroep moet duiden hanteert ze een kernachtige definitie: “Een dramaturg is de bewaker van de droom van de voorsteling.” Daar is niets te veel mee gezegd: de theatrale dramaturg blijft tot ver na de première bij de voorstelling betrokken, en kent het toneelstuk al van haver tot gort voordat de acteurs amper van de titel hebben gehoord. De dramaturg leest het te spelen toneelstuk, bewerkt het of verwerpt het, beslist in overleg met de regisseur of het wel of niet op de planken komt. De dramaturg duidt behalve de betekenis van het stuk zelf, en passant ook de essentiële en de overtollige passages. Dramaturg Brogt is 'nooit klaar', hooguit is haar werk voltooid als de voorstelling al weer van het repertoire is verdwenen. Het aantrekkelijke van theater vindt ze nou juist dat elke voorstelling uniek is.
Brogts arbeid is nog maar voor de helft klaar als de acteurs, technici en regisseur nog moeten beginnen. Ze las en bewerkte Karst Woudstra's vertaling van 'Een soort Hades' van Lars Norèn, in mei in première. “Als we dat integraal zouden spelen, ben je negen uur verder. Het speelt in een psychiatriche inrichting waar het altijd weekeind is, en waar het leven meervoudig tot stilstand komt. Het is een ontzettend mooi stuk, 245 bladzijden lang. Dus kort ik het in; ik zou het bevredigend vinden als we het binnen vier uur konden houden. Maar het ging moeizaam; Norèn laat z'n personages over elkaar heen schuiven. Tijdens het inkorten moet je voortdurend zien wat je aanricht, je mag de essentie niet wegkappen, het stuk moet speelbaar blijven. Herschrijven doe ik niet, en wat voor heftige ingreep snoeien ook is: ik tast de taal van de schrijver nooit aan.”
Op de bewerking volgt, steeds samen met de regisseur, de casting. “Met de keus van de acteurs bepaal je eigenljk de voorstelling al.” Door een mengeling van intuïtie en ervaring zitten Brogt en Rijnders 'al gauw op hetzelfde spoor', al hebben ze ook met de structuur van een theatergezelschap rekening te houden. Ze gaan dan, dit keer uit organisatorisch oogpunt, het gezelschap langs en belanden bijvoorbeeld bij een acteur of actrice 'die al lange tijd veel heeft opgeknapt' en die daardoor 'nu maar eens een grote rol' moet hebben. Of een artistiek gecaste toneelspeler wordt weer uit de voorstelling gehaald omdat die tegelijkertijd een ander stuk repeteert. “Er zijn geen wetten voor. Het is heel inspirerend, maar je wordt er ook hartstikke gek van. Een toneelgezelschap is als een huishouden: iedereen heeft z'n eigen smaak, ritme, manier van omgang.”
Toen Brogt vorig seizoen bij het Zuidelijk Toneel samen met Pierre Audi de casting voor 'Maat voor maat' verzorgde, waande ze zich even een kind dat met z'n vingers in een overvolle koektrommel graait. Als gastdramaturg mocht ze immers onbevangen kiezen wie ze wilde.
Na de casting breekt de eerste repetitie, het hardop lezen aan. Bemoeien de acteurs zich dan al met Brogts bewerking? “Dat mag je wel hopen, ja! Je moet tot het punt komen waarop iedereen het er over eens is wat er in de tekst staat. Acteurs lezen de tekst vanuit hun eigen rol, er ontstaan onvoorstelbaar veel interpretaties. Ook bij de moderne stukken moet je veel praten: wat staat er? wat wordt er gezegd? en hoe? wat bedoelen wij? Een dramaturg moet weten wat het is om toneel te spelen, hij moet aan den lijve ondervinden wat het is om daar te staan. De acteur moet per slot van rekening zelf uitzoeken hoe hij het overbrengt; ik kan alleen duiden hoe de schrijver het bedoelde.”
Ondertussen is er al lang overleg met de mensen van het licht, decor, geluid en kostuums. Hoe ziet zo'n karakterloze ruimte van een psychiatrische inrichting er uit? Moest de hele speelvloer maar vol Ikea-zooi worden gezet? Ze weten het nog niet. Tot vlak voor de première kan het decor nog wisselen. Bij hoge uitzondering was Toneelgroep Amsterdam ooit eens ver vóór de première al gereed. “Bij de eerste try outs van Richard III keken we elkaar in verbijstering aan: ja, dit is het! En die zes, zeven weken waren een korte repetitietijd voor een Shakespeare hoor.”
Brogt blijft de voorstelling ook na de première volgen om te zien of er geen balansverschillen opduiken. “'Ashes to Ashes' (Pinter in de vertaling van Brogt, met slechts twee rollen: Lineke Rijxman/Pierre Bokma) functioneert met die cocon-achtige structuur alleen als beide spelers er steeds opnieuw voor 100 procent instappen. Na een voorstelling zei Pierre Bokma: “Dat was vanavond een korte hè?” Waarop ik antwoordde: “Een korte? De voorstelling was drie minuten langer” Elke voorstelling verschilt per avond in duur, intensiteit, spanningsboog, ritme.”
Zelfs al er geen dramaturg bij een toneelstuk betrokken zou zijn, is er volgens Brogt altijd dramaturgie. In dat geval zoeken de acteurs de beste manier om het verhaal te vertellen. “In de Werktheater-periode was er zogenaamd geen regisseur aanwezig; hooguit een 'stimulator'. Maar die regisseerde natuurlijk doorlopend. Alle disciplines zijn afsplitsingen van toneelspelen. Het moeilijkste is om bij een voorstelling die mislukt, je mate van verantwoordelijkheid te nemen. Iedereen wil alleen maar dat het heel goed gaat. En iedereen gaat zich, in een ultieme reddingspoging, met elkaars terrein bemoeien.”
Voor beginnende toneelspelers - die in januari bij Toneelgroep Amsterdam te gast waren - schreef Brogt de komedie 'Magic!!' naar Pierre Corneilles L'illusion Comique. Brogt kon nu eens naar hartelust herschrijven en uiterst hedendaags toonzetten: 'Magic!!' is immers een heel nieuw toneelstuk. Ze scherpte de vader-zoonverhouding (die bij Corneille onbelangrijk is) aan, voerde een knecht in tegenover tovenaar Alcandre om de spanningsboog te vergroten. Ze maakte een schema voor het scèneverloop, en schreef uit het hoofd; Corneilles origineel keek ze niet meer in. Tijdens het schrijven zoekt ze natuurlijk naar woorden, maar vooral naar klank en naar ritme. “Op het toneel is ritme altijd doorslaggevend, zelfs zinsbouw is daaraan ondergeschikt.” Haar twee 'uiterst kritische' kinderen tussen de 15 en 20 jaar keken bezorgd toe of haar hedendaags Nederlands inderdaad wel hedendaags courant was. Als het personage Matamor snoeft om een meisje te imponeren, legt Brogt hem in de mond:
Vergeef mij, Mademoiselle, mijn tong en pen kunnen uw schoonheid pas weer bezingen, als ik deze ongelukkige vrouw definitief haar plaats gewezen heb. Montagne hier heeft mijn biografie van buiten geleerd. Hij zal u enkele te gave fragmenten declameren.
Brogts dochter viel meteen over gebruik en context van 'te gave' - dat 'absoluut' niet (meer) gezegd mag worden want 'dan lig je op de verkeerde stapel' - en vroeg of dat toch alsjeblieft niet serieus bedoeld was. Brogt wist haar te overtuigen dat Matamor, in zijn snoeverij, juist subtiel maar hoorbaar de plank mis moet slaan. Opluchting alom dat Brogt 'niet per ongeluk helemaal verkeerd had geschoten'.
Een verlanglijstje van toneelstukken heeft Janine Brogt wel in haar hoofd, maar wil dat liever niet in de krant terugzien. Over haar omgekeerde verlanglijstje zegt ze uiteindelijk: “Ik heb weinig affiniteit met de esthetiek van Werner Schwab. Schwab overtuigt mij als auteur niet; hij schreef steeds opnieuw hetzelfde toneelstuk. Maar als Judith Herzberg of Harold Pinter vandaag een nieuw stuk schrijven, zou ik het morgen willen doen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.