*

 
dossier

Archief

SCHOOLJAREN WISSELEN NET ALS WIJNJAREN

MARJAN AGERBEEK − 09/05/98, 00:00

De mavo-, havo- en de vwo-afdeling van de christelijke scholengemeenschap Overvoorde in Den Haag hadden eind schooljaar 1995/96 z weinig geslaagden en zveel zittenblijvers en uitvallers, dat de rapportcijfers die prof. dr. J. Dronkers van de Universiteit van Amsterdam voor Trouw berekende, onvoldoendes waren. Ten onrechte, zegt rector J. Haslinger. “Mijn hele school was ernstig gedupeerd. Elke school heeft toch wel eens een rotjaar?”

De prestatiegegevens over het schooljaar 1996/97 die de onderwijsinspectie onlangs vrijgaf, zijn dezelfde soort gegevens die Trouw in de bijlage Schoolprestaties publiceerde - maar dan van een jaar later. Nu is het dus mogelijk twee schooljaren met elkaar te vergelijken. En wat blijkt? Het Overvoorde is er inderdaad op vooruitgegaan ten opzichte van het jaar daarvoor. Op alle afdelingen is het percentage geslaagden flink gestegen. De mavo ging van 73 naar 91 procent, de havo van 62 naar 79 procent, en het vwo van 82 naar 93 procent. De havo telt bovendien minder zittenblijvers en de mavo minder uitvallers.

Rector Haslinger denkt dat de dip in de cijfers van twee jaar geleden wellicht het gevolg was van het soepel hanteren van de overgangsnormen naar de examenklassen. Daarnaast was er sprake van toeval. De schoolonderzoeken werden slechter gemaakt dan verwacht en in sommige klassen zaten leerlingen die de sfeer verpestten, waardoor er niet meer werd gewerkt. Volgens Haslinger zijn dit soort gebeurtenissen, en dus ook de daarmee gepaard gaande schommelingen in slagings-, zittenblijf- en uitvalpercentages, nauwelijks te voorkomen. “Natuurlijk hou je de schoolonderzoekcijfers in de gaten. Maar als die grotendeels slecht blijken te zijn, ben je eigenlijk al te laat. Je bent bovendien afhankelijk van het gedrag van docenten en dat is moeilijk te sturen. Rendementscijfers zijn het resultaat van samenwerking tussen een groot aantal mensen. Een schooljaar is dus zoiets als een wijnjaar: het kan goed of slecht uitpakken.”

Het Overvoorde is niet de enige school waar zich grote schommelingen in de cijfers hebben voorgedaan. Zeventien procent van de vwo-afdelingen had vorig schooljaar een slagingspercentage dat meer dan tien procent verschilde met het jaar daarvoor. Bij de havo was dat vijftien procent, bij de mavo twaalf procent en in het vbo acht procent. Dat de slagingspercentages van mavo- en vbo-scholen iets stabieler lijken dan van havo- en vwo-scholen, komt waarschijnlijk doordat er op die scholen op verschillende niveaus examen wordt gedaan. Een slecht jaar wordt opgevangen door leerlingen op een lager niveau te diplomeren.

Om meer zicht te krijgen op de oorzaken van schommelingen is bij ongeveer vijfentwintig scholen nagevraagd wat de oorzaak is van de extreme verschuivingen in percentages geslaagden, zittenblijvers of uitvallers. De antwoorden varieerden als knikkers in een potje. Scholen met een flink gestegen percentage geslaagden verklaren dit met: toeval, de docenten zijn harder gaan werken, docenten werken beter samen, de leerlingen mogen tegenwoordig een schoolonderzoek herkansen, vorig jaar waren de cijfers slecht dus logisch dat ze nu beter zijn, we verwijzen sneller door naar andere schoolsoorten en: misschien zat er een fout in de cijfers van 1995/96.

Dalingen werden aan het gedrag van docenten geweten of aan de slechte sfeer in de klas. Ook de percentages zittenblijvers vertonen grote schommelingen. Op scholengemeenschap Vellesan in IJmuiden bleef maar liefst 61 procent van de leerlingen zitten in vwo-5, een deel verliet vervolgens de school. Rector H. van der Kwaak is niet zo onder de indruk. “Er zijn nu eenmaal klassen die niet draaien. Deze klas werkte niet en de leerlingen stookten elkaar daarin op. Dat komt niet veel voor in het vwo, maar in deze klas toevallig wel.” Havo-4 van het Christelijk College Henegouwen in Rotterdam kampte met een stijging van 42 procent zittenblijvers.

Rector R. van Rijn: “We hebben altijd enorme fluctuaties in de cijfers. Dat komt doordat we voornamelijk allochtone leerlingen binnenkrijgen met enorme achterstanden. Dat merk je pas in de hogere klassen, als de leerlingen het niet meer redden met uit het hoofd leren. Een tweede probleem is dat de basisscholen geen Citotoets afnemen. We moeten dus vertrouwen op het advies van de basisschool als we de leerlingen plaatsen. Het blijkt nogal eens dat dit advies te optimistisch is.”

De te verwachten verklaring voor meer zittenblijvers in de voor-examenklas - de slagingspercentages moeten omhoog - werd alleen genoemd door het Rotterdamse Olympus College. Het Amsterdamse Spinozalyceum voor Daltononderwijs zegt dat het gestegen aantal zittenblijvers in mavo-drie komt doordat er veel leerlingen zijn aangenomen die door andere scholen waren weggestuurd. Uiteraard niet om meer subsidie binnen te krijgen, maar om de leerlingen nog een kans te geven. Verder melden de scholen: een soepele toelating van mavo-gediplomeerden tot havo-4, te hoge schoolkeuze en natuurlijk: toeval. Voor een daling van het percentage zittenblijvers konden nauwelijks redenen worden aangevoerd. Op het Montessoricollege in Maastricht liep het percentage zittenblijvers in mavo-3 terug van 35 naar 9 procent. Conrector J. Roll: “Jonge mensen kun je niet kneden, zulk soort dingen overkomen je.” Ook voor een fors gestegen of gedaald percentage uitvallers konden veel scholen geen verklaringen bedenken.

Toeval of het gevolg van (uitgebleven) beleid? Die tegenstelling duikt op uit de antwoorden van de scholen. Uiteraard hebben de leerlingen zelf enorme invloed op de percentages geslaagden, zittenblijvers en uitvalers. Uit onderzoek is bekend dat hun capaciteiten bijna negentig procent van de prestatiegegevens van scholen verklaren. Maar op de meeste scholen is de samenstelling van de leerlingen redelijk constant. Het komt zelden voor dat een school plotseling door veel meer leerlingen met hoog opgeleide ouders wordt bevolkt en dat daardoor de prestatiegegevens schommelingen vertonen. Is er dan wel altijd sprake van 'toeval' als scholen 'toeval' zeggen?

“Het zijn allemaal maar verhalen, geleuter, de scholen weten het gewoon niet. Maar je moet als schoolleider toch iets zeggen als je naar de oorzaak wordt gevraagd”, zegt J. Castelein, directeur van het Olympuscollege in Rotterdam. A. de Zoete, rector van het Da Vinci College in Leiden, is het met hem eens. “Het zijn geen smoezen, niemand weet simpelweg waardoor de cijfers op en neer gaan. Het gebeurt gewoon.”

Castelein en De Zoete troffen elkaar op verzoek van Trouw, om met elkaar in discussie te gaan over de zin en onzin van prestatiegegevens. Daarin verschillen ze met elkaar van opvatting. Castelein vindt het prima als hij wordt afgerekend op resultaten, voor De Zoete zou dat juist het einde betekenen van de doelen die hij zich stelt. De Zoete: “Ik kan mijn kwaliteit niet meten met rendementscijfers. Die cijfers zeggen me niets. De ouders die hun kinderen naar mijn school sturen, willen dat ze een kans krijgen een zo hoog mogelijk diploma te halen.

Ze zijn blij als ze dat diploma halen, ook als hun kinderen daar langer dan normaal over hebben gedaan. Geen groter geluk dan met een 'mavo, misschien havo'-advies de school binnenkomen en er met een havo-diploma vandaan komen. Ook als daarna een opleiding in het middelbaar in plaats van hoger beroepsonderwijs volgt. Ik ben dus tevreden als mijn slagingspercentages op het landelijk gemiddelde uitkomen, dat is voor mij genoeg. Alleen als ik merk dat dit niet zo is, grijp ik in. Zo is het slagingspercentage in het vwo vorig jaar gestegen, omdat we hebben daar iets aan hebben gedaan. Het jaar daarvoor was het te laag. Ik zou er wel voor kunnen zorgen dat de percentages op alle afdelingen omhoog gaan, hoor. Ik kan die leerling meteen op de mavo plaatsen en zorgen dat hij via de snelste weg in het middelbaar beroepsonderwijs terechtkomt. Maar ouders willen dat niet horen. En dan krijg ik zorgen over mijn marktpositie.''

Castelein: “Ik kan mij heel goed voorstellen dat u dat zegt, gezien het profiel dat u kiest voor uw school. Voor u geldt: als de school veel leerlingen krijgt, doet de school het goed. Zo wordt u afgerekend op uw resultaten, en zo hoort het ook. Je moet een inspanningverplichting hebben. Voor een school in een achterstandsgebied, zoals de mijne, geldt dat ook. Die gedachte is wel erg ongebruikelijk. Rotterdam stopt veel geld in scholen in probleemgebieden, maar niemand kijkt naar de resultaten. Dat maakt het erg aantrekkelijk om meer en meer subsidie te vragen, om zo nog meer maatschappelijke problemen proberen op te lossen. Maar dat lukt toch niet, dus dat is zonde van het geld. Eigenlijk zouden scholen pas extra geld moeten krijgen als hun slagingspercentages onder een bepaalde grens zakken.”

Dat is maar een voorbeeld, want op de school van Castelein speelt het slagingspercentage als indicator voor succes slechts een beperkte rol. Hij zou liever zien dat de school wordt afgerekend op het aantal leerlingen dat aan een baan wordt geholpen. Want dat is het doel van het Olympus. Castelein: “Wij kiezen er niet voor de ouders ter wille te zijn, maar een maatschappelijk probleem op te lossen. Ik wil niet dat mijn leerlingen op de hoek van de straat terechtkomen, of in de criminaliteit. Ik wil dat ze integreren in de Nederlandse samenleving. Vanaf augustus geef ik dan ook geen Arabisch of Turks meer. Ik ben daar besodemieterd, dat is de kat op het spek binden. Het kan best zijn dat ik daarmee iets doe dat de ouders niet willen. Maar dan hebben zij een probleem, niet ik. Misschien trek ik minder leerlingen, ik verwacht ook dat we tot duizend leerlingen zullen zakken. Dat is de consequentie van onze keuze.”

De Zoete: “U bent gedwongen scherp te kiezen omdat uw school een smal deel van de markt bedient. Ik hoef er bij de leerlingen niet op te hameren dat ze zich gedisciplineerd moeten gedragen omdat ze het anders nooit redden bij een baas, zoals u. Het Da Vinci heeft vijf vestigingen en trekt leerlingen uit alle lagen van de Leidse bevolking. De school moet dus een aanbod doen dat bij al die leerlingen past. Dat betekent dat ik leerlingen wil voorbereiden op een goede toekomst, op een plek in de samenleving, in brede zin. Hoe dat in de praktijk moet, wordt bedacht door de mensen die leidinggeven op de diverse lokaties.”

De beide directeuren hebben dus andere doelen voor ogen dan hoge slagingspercentages of weinig zittenblijvers en uitvallers. Spelen dat soort cijfers op hun scholen intern dan ook geen enkele rol? De Zoete: “Tussentijdse uitval is helemaal niet goed, zittenblijven vind ik minder erg. Slagingspercentages zijn alleen van belang als ze afwijken van het landelijk gemiddelde, dan grijpen we in.” Castelein: “Die cijfers zijn zeer relevant, een school moet zich verantwoorden. Daar hebben we te weinig middelen voor, niet alles laat zich in cijfers meten.

De cijfers zouden bovendien moeten zijn aangepast aan ieders situatie. Tot dat kan, zijn rendementscijfers het enige instrumentarium dat we hebben om kwaliteit te meten. Maar we moeten er nog mee leren omgaan. We kregen ze altijd al van de inspectie, maar pas nadat Trouw ze vorig jaar openbaar heeft gemaakt, begonnen we ons af te vragen wat ze betekenen. Ik weet niet waardoor het komt dat de slagingspercentages op de mavo en het vwo wel zijn gestegen en ze op de havo en in het vbo hetzelfde zijn. Maar de confrontatie met die feiten is wel een stimulans. Niet dat het leuk is. De beschermende koepel van geheimhouding waar wij allemaal inzaten, is er ineens afgetrokken. Daar staan we met zijn allen, in ons nakie.''

SCHOLEN SLORDIG MET CIJFERS

Op een deel van de scholen verschillen de prestatiegegevens over schooljaar 1996/97 zeer sterk met het jaar daarvoor, zonder dat er in de praktijk van het onderwijs veel is veranderd. Dat bleek tijdens de rondgang langs scholen met grote schommelingen in de percentages geslaagden, zittenblijvers of uitvallers.

De vermoedelijke oorzaak is dat de formulieren waarmee de inspectie de rendementsgegevens verzamelt, dit jaar anders zijn ingevuld. Zo heeft het Leidse Da Vinci College de klas met asielzoekers op de havo in de nieuwste cijfers niet meegeteld. Deze havo-afdeling kreeg vorig jaar een 3 van prof. dr. J. Dronkers van de Universiteit van Amsterdam, waarop de school dreigde met een kort geding. Later berekende Dronkers dat de afdeling een acht zou hebben gehad als de klas asielzoekers niet was meegerekend. Dat kwam onder meer doordat het percentage uitvallers dan veel lager zou zijn geweest.

Volgens de onderwijsinspectie is er bij het verzamelen van de rendementsgegevens dit jaar extra gehamerd op het doorgeven van de juiste cijfers. Die moeten tegenwoordig immers openbaar worden gemaakt. Zo staat al sinds jaar en dag op de formulieren dat leerlingen die niet deelnemen aan het gewone onderwijs, bijvoorbeeld allochtone leerlingen in internationale schakelklassen, leerlingen in spijbelopvangklassen of in speciale klassen voor asielzoekers, niet moeten worden opgegeven. Tot vorig jaar hebben veel scholen dat net als het Leidse Da Vinci voor het gemak toch gedaan, zo blijkt nu. De inspectie deed immers toch niets met de cijfers. Vandaar dat sommige scholen na de publicatie van de cijfers in oktober stelden dat Trouw de inspectiegegevens hadden moeten controleren alvorens ze te publiceren. Het Leidse Da Vinci liep daarin voorop.

De rector van het Johan de Witt College in Den Haag meldt dat de school dit jaar veel beter uit de cijfers komt omdat ongeveer de helft van de leerlingen tot de uitzonderingscategorieân behoort. Een inspecteur is bovendien komen helpen bij het invullen van het formulier. Iets soortgelijks is het geval bij het College Henegouwen in Rotterdam. Het leidde op deze scholen tot fikse verschuivingen in vooral de zittenblijf- en uitvalcijfers.

Natuurlijk is het voor een goede beoordeling van het rendement van de scholen een enorme verbetering als de basisgegevens eenduidig zijn. Hetzelfde geldt voor de nieuwe berekening van het aantal zittenblijvers en uitvallers door de inspectie, waardoor brede scholengemeenschappen minder worden bevoordeeld. Het gevolg is wel dat de cijfers van vorig schooljaar en het jaar daarvoor niet zomaar kunnen worden vergeleken.

Als duidelijk is dat een school de formulieren op dezelfde wijze heeft ingevuld, is op schoolniveau nog wel over de verschillen te praten. Maar om dat alleen afgaand op de rendementscijfers van de scholen te doen, is te riskant. Het zou immers onduidelijk zijn of een school door eigen toedoen of door een andere manier van registreren een hoger of juist lager rendement heeft.

Vandaar dat Trouw en Dronkers hebben besloten niet op dezelfde manier als vorig jaar rapportcijfers toe te kennen aan scholen. Trouw zal wel een beoordeling van scholen publiceren, op een andere, inzichtelijker manier, los van de cijfers die in oktober werden afgedrukt. Op zaterdag 13 juni verschijnt in de bijlage ZenZ onder de titel Schoolprestaties 1997 een nieuwe lijst. Het gaat om aanzienlijk meer scholen dan vorig jaar, omdat de gegevens dit keer op het niveau van de nevenvestiging kunnen worden gepresenteerd. Er zal opnieuw rekening gehouden worden met het type leerling dat een school bevolkt, om zo onevenredige benadeling van scholen met veel leerlingen uit zwakkere sociale milieus te voorkomen.

Op basis van het cijfermateriaal op hoofdvestigingsniveau, dat wel over twee jaar beschikbaar is, heeft Dronkers berekeningen gemaakt om het instrument 'rapportcijfer' te evalueren. De conclusie, waarover hij maandag een college geeft aan de Universiteit van Amsterdam, luidt dat het rapportcijfer een goede weergave is van het rendement van een school.

Het rapportcijfer is vergeleken met vorig jaar op een deel van de scholen flink veranderd. In het vwo zou tien procent van de scholen twee of meer punten vooruit of achteruit gaan. In havo 14 procent, in het vbo acht procent en voor de mavo geldt dat voor maar liefst een kwart van de scholen. Dronkers ging op twee manieren na of dat aan het rapportcijfer zelf kan liggen. Hij keek eerst of het gemiddelde eindexamencijfer en de percentages geslaagden, zittenblijvers en uitvallers minder fluctueren dan het rapportcijfer. Zo ja, dan zou het rapportcijfer niet deugen. Het blijkt dat het gemiddelde eindexamencijfer en het slagingspercentage even stabieler zijn als het rapportcijfer; de percentages zittenblijvers en uitvallers zijn dat veel minder. Niet genoeg om de waarde van het rapportcijfer onderuit te halen, aldus Dronkers.

Vervolgens ging Dronkers na of de veranderingen in het rapportcijfer zijn veroorzaakt door andere zaken dan het rendement van een school, zoals het aantal leerlingen of de levensbeschouwelijke richting. De enige vreemde eend in bijt die hij op alle schoolsoorten tegenkwam, was de veranderde manier van registreren van de cijfers. Ook dat geeft volgens Dronkers geen aanleiding aan het instrument rapportcijfer te twijfelen.

mailIcon print |