*

 
dossier

Archief

Duits kwelwater wordt Nederlands drijfijs

Door: redactie − 10/01/97, 00:00

Van een onzer verslaggevers DE BILT - De ijsdikte in Nederland lijkt de komende week te pieken, al dan niet voorlopig, op ongeveer 33 centimeter. Een respectabele dikte: de laatste winters dat het ijs in Midden-Nederland om en nabij de dertig centimeter bereikte, waren die van 1987 en 1979.

Voor 1963 berekent het ijsgroeimodel van het KNMI op basis van de toen gemeten weersomstandigheden zelfs een dikte van bijna 43 centimeter. In het noorden van het land zal het allicht nog meer zijn geweest, maar voor de weerstations Leeuwarden en Eelde heeft het KNMI geen temperatuurreeksen die zo'n berekening-achteraf mogelijk maken.

Precies tijdens dit soort winters vriezen ook de rivieren dicht, maar dat ijsdek is niet in grafieken uit te drukken, zegt Herman Wessels van de afdeling waarnemingen en modellen van het KNMI. Het ijs dat met name in de Maas de scheepvaart nu zoveel overlast bezorgt, groeit niet van boven naar beneden als een aaneengesloten ijsdek, maar ontstaat overal in het stromende water om pas daarna schollen drijfijs te vormen, die tenslotte, als ze de kans krijgen, aaneengroeien tot 'vast ijs'.

Van rivierijs wordt eenvoudig bijgehouden hoeveel 'dagen met ijs' er in een bepaalde winter zijn. “Vast ijs is natuurlijk het meest imponerend, in 1963 hebben we daarvan het laatste goede geval gehad. In 1985 en 1987 ook nog, bij Gorinchem, maar dat had te maken met een veranderde stroming door de Deltawerken.”

Het verschil in de stijl van dichtvriezen tussen rivier en vaart wordt veroorzaakt doordat stromende rivieren altijd turbulent zijn. In stilstaand water krijgt water van vier graden, dat het zwaarst is, de kans naar beneden te zakken. Warmer water koelt af tot het vier graden is, kouder water blijft drijven en koelt verder af tot het bevriest. In een rivier worden die lagen voortdurend omgeroerd. IJs vormt zich dan pas wanneer al het water voldoende koud is.

Alleen daardoor al duurt het langer voor een rivier dichtvriest. “En bovendien bestaat in winterse omstandigheden, wanneer het niet regent en sneeuw blijft liggen, het rivierwater voor een relatief groot deel uit kwelwater uit de middelgebergten in Duitsland en BelgiĆ«, grondwater dat het hele jaar door een temperatuur van zo'n tien graden heeft. Daarom is er voor ijs in de rivieren ook meer nodig dan vorst alleen in Nederland: binnen een etmaal is het water bij ons immers alweer weg.”

Als het ijs dan eindelijk komt, dan vormt het nog eerder tegen een behulpzaam voorwerp, zoals de bodem of een obstakel, dan aan het oppervlak. Het raakt los en klontert geleidelijk aan tot brokstukken die genoeg drijfvermogen hebben om aan de turbulentie weerstand te bieden en boven water uit te komen.

Drijfijs dat een ondiepte tegenkomt of een obstakel, kan zich gaan ophopen totdat een ijsdam ontstaat, zoals nu bij Kampen is gebeurd. Het bijbehorende stijgende water is al heel spannend als het vriest, maar in dat stadium voert de rivier niet zo veel water af. De dam remt de turbulente stroming en daardoor kan het vormen van vast ijs opeens snel gaan: Wessels: “In een paar dagen van Schoonhoven tot Duisburg.”

Ernstiger kan het worden als een dikke laag rivierijs in de lente snel losraakt terwijl tegelijkertijd overal de sneeuw in het stroomgebied smelt en het lustig regent: in het verleden is wel gesuggereerd dat ijsdammen bij dooi, en niet een hoge rivierafvoer alleen, de oorzaak waren van een aantal historisch geworden overstromingen.

Wat er allemaal met een rivier gebeurt in de winter is echter moeilijk te voorspellen, aldus Wessels. “Er veranderen voortdurend dingen in het rivierengebied. Als er bijvoorbeeld een stuw gesloten wordt, verandert een stuk rivier in een gewoon meer, dat veel sneller dichtvriest. En thermische vervuiling door koelwater werkt de bevriezing juist weer tegen: het water van de Rijn is deze eeuw twee graden warmer geworden.”

mailIcon print |