Natuurmonumenten ligt onder vuur. En dat is even wennen, niet in de laatste plaats voor al degenen die de vereniging nog steeds zien als een clubje aimabele liefhebbers die tijdens uitstapjes onze bedreigde flora en fauna uitvoerig koesteren en knuffelen. Hetzelfde Natuurmonumenten voert nu actie. En toch is het, zegt directeur Frans Evers, nog steeds dezelfde organisatie als die uit 1905, het jaar van oprichting.
Sinds Natuurmonumenten, met 835 000 leden de grootste natuurbeschermingsorganisatie in het land, zich vastberaden en volhardend verzet tegen de bouw van een nieuwe stadswijk in het IJmeer en handtekeningen inzamelt voor een referendum, krijgt het vooral uit kringen van hoofdstedelijke politici en bestuurders een stortvloed aan verwijten over zich uitgestort.
Wat bezielt de eens zo nette dames en heren uit Schaep en Burgh, de vroegere Amsterdamse buitenplaats in 's-Graveland, om een referendum te kopen, daarmee de weg plaveiend voor pooiers en koppelbazen? Waarom lopen zij de democratie voor de voeten? Waar halen zij het lef vandaan zich in een politiek debat te mengen in plaats van zich bij hun leest te houden?
Frans Evers kan er kort over zijn: “Wij willen onze stem verheffen omdat de natuur die dreigt te worden platgewalst, dat zelf niet kan. Wij hebben daar het volste recht toe en benutten daarbij de mogelijkheden die ons en ieder ander ten dienste staan.”
Dat Natuurmonumenten zich hiermee ver zou verwijderen van de oorspronkelijke grondslag van de vereniging, zoals de opposanten beweren, weerspreekt Evers met verve. “Wij doen niets anders dan wat Jac. P. Thijsse en zijn medestanders aan het begin van deze eeuw deden toen zij in de bres sprongen voor het Naardermeer, dat Amsterdam had bestemd tot vuilstortplaats. Zij begonnen een maatschappelijk debat, zonder zich in de partijpolitiek te mengen, en behartigden daarin de belangen van de natuur.”
“Zij volgden twee lijnen: eerst actie tegen de vuilstortplaats; daarna de oprichting van een vereniging die het Naardermeer aankocht om het veilig te stellen. Die lijnen heeft Natuurmonumenten altijd aangehouden, ook nu nog.”
Hoewel Frans Evers nog geen jaar aan het hoofd staat van de vereniging, is hij zeker geen onbekende op het terrein van natuur en milieu. In de jaren tachtig was hij de op één na hoogste ambtenaar op het ministerie van milieubeheer, waar hij achtereenvolgens werkte met de ministers Pieter Winsemius en Ed Nijpels - nu voorzitter van respectievelijk Natuurmonumenten en het Wereldnatuurfonds.
Daarna was hij negen jaar directeur-generaal van de Rijksgebouwendienst, in welke periode mede door zijn toedoen de aandacht voor (gebouwde) monumenten structureel is verbeterd. Tussen die bedrijven door heeft Evers veel vrije tijd gestoken in de bescherming van vogels.
In de ruim negentig jaar na de aankoop van het Naardermeer is Natuurmonumenten doorgegaan op de weg van veilig stellen door middel van aankoop - momenteel beheert de vereniging ruim 70 000 hectare natuurterreinen.
Evers: “Het aankoopbeleid is succesvol geweest: als je langs de terreinen van Natuurmonumenten, maar zeker ook die van Staatsbosbeheer en de provinciale landschappen, rijdt, zie je een diversiteit aan oases in een landschap dat ernstig heeft geleden onder desastreuze ontwikkelingen, zoals de ruilverkaveling.”
“Daarnaast hebben we altijd acties gevoerd, op lokale schaal, tegen bedreigingen van buitenaf zoals de verlaging van waterpeilen, waterverontreiniging, het gebruik van bestrijdingsmiddelen, militaire activiteiten.”
“Maar ook aantastingen op grote schaal hebben we aangevochten. Want als je je beperkt tot kleine aankopen en je je niet tegelijkertijd inzet tegen grootschalige bedreigingen, houd je uiteindelijk niet meer dan bloempotten over waaruit de rijkdom aan soorten, de diversiteit, verdwijnt. Daarom verzetten wij ons al jaren tegen boringen in de Waddenzee, tegen aantasting van het Groene Hart, en hebben we ons ingezet voor bijvoorbeeld de Dollard.”
Die activiteiten riepen echter nooit politieke wrevel op. Evers: “Men vond het goed dat wij ons zo sterk mogelijk maakten voor de natuur; we mochten meespreken, maar niet winnen, niet overheersen. Dat gebeurde ook niet, want we waren als belangenbehartigers van de natuur toch altijd maar een betrekkelijk kleine club. De politici luisterden, maar namen uiteindelijk de beslissing die zij wilden.”
Voor de politiek is de natuur geen serieus onderwerp, zei voorzitter Pieter Winsemius enkele jaren terug. “Alleen bij theoretische vingeroefeningen mogen wij meedoen met een ritueel dansje tussen de schuifdeuren, maar dan moeten we snel weer weg”, aldus Winsemius. Die situatie is echter drastisch veranderd, zoals de discussie rond IJburg illustreert.
Dat komt niet zozeer door de toegenomen macht van het getal (niet alleen Natuurmonumenten, maar ook organisaties als het Wereldnatuurfonds groeiden het afgelopen decennium spectaculair), als wel door het feit dat de politiek de schuifdeuren niet meer zonder meer dicht kan schuiven.
Want daar staat nu het referendum tussen.
Evers: “Wanneer de politiek besluit tot invoering van een referendum, accepteert ze dat de bevolking zich kan uitspreken over een concreet besluit over één enkel onderwerp. Je moet dan ook aanvaarden dat andere organisaties dan politieke partijen met hun standpunten op het toneel komen. Het is te gek om dan ineens te zeggen, zoals nu bij IJburg: hé, wacht even, die procedure is niet voor jullie bedoeld.”
“We begrijpen dat onze bemoeienis spanningen oproept, zeker bij politici die gewend zijn te denken langs de traditionele lijnen van democratische besluitvorming. Maar zij hebben zelf die verlegging van de grenzen toegestaan en wij doen niets anders dan het benutten van de wettelijke mogelijkheden die zíj hebben geschapen.”
De discussie over IJburg staat niet alleen, maar slaat ook op alle andere grote infrastructurele projecten in het land, zoals de tweede Maasvlakte, de kustlocatie tussen Scheveningen en Hoek van Holland, de uitbreiding van Schiphol (eventueel ook in zee) en de hoge snelheidslijnen.
Tegenover deze projecten staat een in 1990 geformuleerde brede politieke overeenstemming over de veiligstelling van natuur en landschap. Om te voorkomen dat Nederland verdwijnt onder asfalt en beton, legde de Tweede Kamer vast dat Nederland in het jaar 2020, naast steden, wegen, vliegvelden en andere grootschalige werken, óók moet bestaan uit een samenhangend netwerk van groene en natte natuurgebieden.
Het IJmeer is één van die natuurgebieden, evenals de kustzone met een scala aan geplande activiteiten.
Het probleem is dat die 'ecologische hoofdstructuur', hoewel wettelijk verankerd, politiek niet dezelfde urgentie heeft als de 'harde infrastructuur'.
Evers: “Het gaat om verschillende manieren van denken. De ene zegt: waar niets is, kun je iets doen en dat heeft tot consequentie dat de laatste restjes ongeschonden natuur worden geasfalteerd.”
“De andere manier van denken gaat uit van de waarde van natuur en landschap als zelfstandig te behartigen belang. Het probleem is dat die manieren van denken (nog) niet kunnen communiceren.”
“We moeten daarom snel de knelpunten tussen het 'Nederland van Kok' en de gewenste ontwikkeling van de natuur en de open ruimte in beeld gaan brengen. Zodat we tot een evenwichtige, samenhangende ontwikkeling van Nederland kunnen komen.”
“Als er een visie op het Markermeer en het IJsselmeer had gelegen, was een evenwichtiger besluit over IJburg mogelijk geweest. Dan was er ook bij de hoge snelheidslijn door het Groene Hart geen tunnel van 900 miljoen nodig geweest om de natuur- en landschapswaarden af te kopen. Dat had beter en goedkoper gekund.”
“De kustzone is onderdeel van de ecologische hoofdstructuur, maar daar hoor je niets over bij plannen voor kustlocaties en vliegvelden. Het is goed te blijven beseffen dat Nederland, zoals Wim de Bie zondag op de televisie zei, aan zee ligt en niet aan een vliegveld.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.