*

 
dossier

Archief

beeldende kunst

CEES STRAUS − 07/02/98, 00:00

AMSTERDAM - Zijn naam is hier volslagen onbekend. Nergens ook hangen in de Europese musea (met uitzondering van de Thyssen-Bornemisza Collectie in Madrid) zijn schilderijen. In zijn geboorteland de Verenigde Staten is de situatie echter volslagen anders: daar vechten de musea als het ware om een doek uit het relatief beperkte oeuvre van niet meer dan 200 schilderijen.

Stuart Davis wordt er beschouwd als een van de belangrijkste voormannen van de moderne kunst. De Amerikaanse moderne kunst wel te verstaan, de periode 1900-1950 die de grondslag legde voor wat later wél zo bekend zou worden: de colorfieldpainters, de popart-beweging, de abstract-geometrie en de abstract-expressionisten.

Het werk van Stuart Davis (1892-1964) is interessant omdat er voorbodes in zichtbaar zijn van wat zich in de tweede helft van deze eeuw in de kunst zou aandienen. Davis overigens heeft dat ontkend. Hoe onmiskenbaar een schilderij als 'Odol' uit 1924, 'Cigarette papers' (1921) of 'Apples and Jug' (1923) ook doet denken aan wat Andy Warhol of Roy Lichtenstein hebben gedaan, het heeft met de popart niets uitstaande, zei hij eens.

Philip Rylands, directeur van het Guggenheim Museum in het Italiaanse Venetië , onderschrijft de woorden van Davis. “Davis heeft zich triviale zaken nooit willen toe-eigenen”, meent hij. Rylands zette in Venetië een grote terugblikkende expositie op, die nu in het Stedelijk Museum in Amsterdam is te zien. Voor het eerst, 34 jaar na Davids dood, want in Nederland bestond helemaal geen belangstelling voor de Amerikaanse kunst van vóór de Tweede Wereldoorlog. Toen hier Amerikaanse schilders werden binnengehaald - iets dat pas met Edy de Wilde in het Stedelijk Museum in Amsterdam gebeurde - ging het om eigentijdse kunstenaars. Hun voorlopers bleven tot op de dag van vandaag uit zicht.

Voor directeur Rudi Fuchs is de expositie, in weerwil van het feit dat hij toch veel meer als Europa-adept bekend staat, een belangrijke gebeurtenis waarmee het beeld van de kunstgeschiedenis weer een paar graden kan worden bijgesteld.

Vaak wordt Davis in één ademtocht genoemd met die van Marsden Hartley, die andere grondlegger van de moderne kunst in de Nieuwe Wereld. Davis en Hartley hebben veel gemeen; ze schilderden bijvoorbeeld beiden onderwerpen van triviale aard. Dat duidt evenwel nog niet op een stilistische verwantschap.

Bij Davis kan dat ook moeilijk, want hij heeft nooit tot een stijl of een beweging behoord. Daarvoor verloopt zijn ontwikkeling te grillig, had hij te veel voorkeuren die hij allemaal wel een keer wilde beoefenen om zich er even snel van af te wenden. Bovendien ontbrak het Davis aan een filosofische kijk op de kunst, waardoor zijn werk een theoretische grondslag mist. Opvallend is het dat zo vele latere schilders hun werk op probleem-oplossingen baseren die al door Davis werden aangedragen. Bij de popart-schilders is dat al helemaal onmiskenbaar. Een tijdlang behoorde hij tot de zogeheten Ash Can School, een stroming van schilders die hun onderwerpen letterlijk van de straat plukten. 'Ash can' betekent vuilnisbak; door middel van uitvoerige detaillering schiepen zij een uitvergroting van het alledaagse.

Na die periode koos hij heel gewone, dagelijkse voorwerpen uit die tot hoofdonderwerp van zijn schilderijen werden gebombardeerd. Er zijn aanwijzingen dat Davis tot dit soort onderwerpen kwam toen hij werk van Marcel Duchamp en andere Dada-kunstenaars zag tijdens de Armory Show, een grote expositie van moderne Europese kunst in Amerika. Bovendien bezocht Davis Parijs, waar hij werk uit de kubistische periode van Picasso en Braque moet hebben gezien. Tegenwoordig wordt Duchamp algemeen beschouwd als de inspiratiebron voor de popart. Davis zou dan de verbindende schakel zijn geweest. Dat geldt dan natuurlijk voor de Amerikaanse tak van de popart; voor de Britse, minstens even originele richting van de popart, loopt de ontwikkeling immers vanaf Duchamp via Hamilton, Paolozzi en Bacon naar Hockney en omgeving.

Nog interessanter dan hem als voorloper van de popart te beschouwen, is te zien hoe Davis de basis heeft gelegd voor de colorfield-painting en de abstracte geometrie. Ook die stromingen komen, zij het iets later dan de popart, al in de jaren '30 in zijn werk aan bod. Net als Picasso, zo vaak zijn grote voorbeeld, zal Davis nooit helemaal abstract werken. In een collageachtige techniek, en met gebruik van korte teksten (waarin hij een voor-echo geeft van de conceptuele kunst van de jaren '70) schept hij kleurrijke beelden. Daarin pogen de vormen steeds van elkaar af te springen. Typerend voor de abstracte geometrie is het opvoeren van scherpe lijnen, nooit overvloeiende kaders en de strenge afwezigheid van schaduwwerking, allemaal zaken die bij Davis vanaf de jaren '30 aan de orde komen. Voeg er de vormdetaillering aan toe, de bijna staccato-achtige ritmiek in herhaling van de vorm die hem door de liefde voor de jazzmuziek moeten zijn ingegeven, en er ontstaat een beeld van een zeer begaafd schilder die zijn tijd ver vooruit was.

mailIcon print |