*

 
dossier

Archief

In het wetland de Lepelaarsplassen broeden 65 vogelsoorten

HENK VAN HALM − 09/05/98, 00:00

Paarse dovenetel, hondsdraf en boterbloemen vormen kleurige plekken in de berm van het Trekvogelpad. De dichtgevouwen boterbloemen knikken door in de gestaag neerdruisende regen. Fitissen zingen hun weemoedige melodietje in het frisgroene wilgenbos. Een winterkoning laat zijn rollende liedje horen in de ondergroei.

In de kwelplas onder aan de dijk maaien tien kluten met hun opgewipte snavels over de slikkige bodem. Ook tureluren lopen er pikkend rond. Op de oever ordenen grauwe ganzen hun veren. Een slanke pijlstaart staat op een ondiepe plek in de plas.

We zijn in een vogelrijk gebied, dat is duidelijk. Om die vogels niet te verstoren is het reservaat Lepelaarplassen alleen toegankelijk over het Trekvogelpad, dat bij het gemaal De Blocq van Kuffeler op de Oostvaardersdijk begint en na anderhalve kilometer eindigt in de observatiehut 'De Lepelaar'.

Almere is onheilspellend dichtbij. Maar sinds de Lepelaarplassen staatsnatuurreservaat zijn, beheerd door de Stichting Het Flevo-Landschap, is de stad geen echte bedreiging meer. Het natuurgebied bestaat uit drie zandwinputten en de kwelplas aan de Oostvaardersdijk. Riet en dertig jaar oud wilgenbos, uit zaad opgeschoten nadat Zuidelijk Flevoland in mei 1968 droogviel, omzomen het water.

MET RIET INGEZAAID

Dertig jaar geleden werd de nieuwe polder met behulp van vliegtuigjes ingezaaid met riet. Dat had een agrarische reden: het opschietende riet onderdrukte de groei van andere pioniersplanten, bevorderde de verdamping en daarmee de indroging van de bodem en bracht met zijn wortelstokken zuurstof in de grond. Dit grootschalige rietland bleek een ideaal broedgebied voor veel moerasvogels. Het meest spectaculair was het broedsucces van het baardmannetje, tot dan een schaarse broedvogel in ons land, die elders in West-Europa nauwelijks voorkwam. Tussen 1965 en 1975 zwermden jonge baardmannen vanuit Zuidelijk Flevoland uit naar alle geschikte leefgebieden in Midden-Europa.

VLUCHTHEUVELS

In de Lepelaarplassen is het broeden vastgesteld van 65 vogelsoorten. Die ongekende vogelrijkdom maakte zoveel indruk dat de Oostvaardersplassen en de Lepelaarplassen werden gereserveerd als natuurenclaves in de moderne landbouwpolder. De meeste broedvogels zijn karakteristiek voor wetlands, de waterrijke gebieden waar Vogelbescherming Nederland en het Wereldnatuurfonds dit jaar bijzondere aandacht voor vragen. Wetlands zijn onmisbare vluchtheuvels voor trekvogels, van levensbelang op hun weg naar het zuiden en terug, en voor vogels die voor de voortplanting afhankelijk zijn van moerassen en plassen.

Er is wel wat voor nodig geweest om de Lepelaarplassen als wetland te behouden. Ton Eggenhuizen van Vogelbescherming: “Kort na het droogvallen waren de plassen de laagste delen van de polder. Die bleven nat, totdat de opdrogende landbouwgebieden zo ver inklonken dat het water uit de plassen wegzeeg. Hoe sterk de bodem inklonk, kun je zien in Almere: de tuingrond zakte zo dat pas geplaatste schuttingen omvielen. Om verder wegzijgen van water te voorkomen werd het hele reservaat van de Lepelaarplassen van 440 hectaren ingepakt in landbouwfolie.”

MARKERMEER NODIG

Zeldzame wetlandvogels van de Lepelaarplassen zijn roerdomp, porseleinhoen, ijsvogel, purperreiger, lepelaar (vorig jaar 75 paren) en aalscholver. De aalscholverkolonie is met ongeveer 3500 paren de grootste van ons land. Van die kolonie is links en rechts van de hut een deel te zien. De grote takkennesten zitten in hoge schietwilgen, drie, vier of vijf in een boom, waarin vaak geen leven meer zit. Kleine jongen maken een zwak piepend bedelgeluid en strekken de kale kopjes naar de oude vogels, die net met voedsel arriveren.

Ton: “De aalscholvers vissen in het nabijgelegen Markermeer. De discussie over het droogmaken van het Markermeer is al meer dan veertig jaar aan de gang. Steeds weer duiken nieuwe onzalige plannen op voor het voornaamste foerageergebied van de aalscholvers van Lepelaarplassen, Naardermeer en Oostvaardersplassen.”

HUT AFGEBRAND

In de hut is het prettig droog. Het gebouwtje is nieuw, nog zonder graffiti. De vorige is een jaar geleden afgebrand. Een fuut zwemt voorbij, zijn kuif en bakkebaarden hangen druipend neer. Kuifeenden drijven in de luwte van de hut. De wind blaast bij tijd en wijle de kuiven van de zwart met witte woerden op. Met de kop in de veren dobberen vier tafeleenden op het water, duidelijk twee stelletjes, de woerden grijs met zwarte borst en roodbruine kop, de vrouwtjes gewoon bruin. Net als de twee slobeendenvrouwtjes, die samen met hun kleurige woerden de plas oversteken.

DWERGFUUTJE

Luid hinniken klinkt vlakbij. Plotseling duikt een dodaars op tussen het schrale riet. Zo groot als een jonge koet is het dwergfuutje, en wat mooi van dichtbij! Donker roodbruin is de kop met daarmee contrasterend de groenig witte mondhoeken, warmbruin de rest van het lijf, lichter de buik. Het blijken twee paren te zijn, die blijkbaar een oogje hebben op dezelfde nestplek. Ze mijden elkaar, maar voortdurend klinkt het hinniken van de mannetjes. Voor een voorbijzwemmende grauwe gans tonen ze alle respect en maken ze ruim baan.

De regen is inmiddels opgehouden en een waterig zonnetje dringt door de grijze bewolking. Als de kuifeenden dichtbij komen, zie je dat hun kop niet matzwart is, maar groen en paars glanst. In de verte wiekt een bruine kiekendief over het riet. Tien grauwe ganzen staan op een eilandje recht voor de hut. Al bevederde jonge aalscholvers, die nauwelijks meer in het nest passen, vormen met elkaar een piramide om zoveel mogelijk warmte van de zon op te vangen.

Tot 1970 ging het slecht met de aalscholvers, voornamelijk door vervolging door broodvissers. Alleen de kolonie, die in 1942 in het Naardermeer werd gevestigd, bleef ongemoeid. Eensklaps kwam er verandering in: er kwamen nieuwe kolonies in de Oostvaardersplassen, de Lepelaarplassen en Noordwest-Overijssel. Sinds 1980 is het aantal broedparen verdriedubbeld. Nu stagneert de aanwas bij 7000 paren. Ton: “Er heerst voedselgebrek. Op het IJsselmeer en de randmeren wordt de spiering overbevist. Je kunt het goed merken aan het sterk slinkende aantal broedende futen.”

BLAUWBORST EN IBIS

Een blauwborst zingt druk in een wilgenstruik, als we teruglopen naar de dijk. Zijn muzikale zang lijkt op die van de nachtegaal, maar is zachter, met veel hoge en sjirpende geluiden. Een zwartkop komt drinken uit een regenplas naast het pad. Rietgorzen zingen hun bescheiden toontjes in het rietmoeras.

Een paar laatste pollen dotters bloeien in de plas-dras weide aan het begin van het Trekvogelpad. Er stappen twee witte vogels rond met zwarte kop, nek en staart. Met hun kromme snebben wroeten ze in de grond, zoals wulpen dat doen. Heilige ibissen. Ze horen thuis in het Nijldal. El Niño? Global warming? Nee, dierentuin: de kijker onthult dat ze elk om de rechterpoot een smalle grijze ring hebben. Een broedring, geen vogeltrekring. Helaas...

Natuur deze week

De lente vordert gestadig. Op een enkel plantje na is het speenkruid uitgebloeid. Als laatste bomen zijn es, zomereik en beuk in blad gekomen. Eiken en beuken hebben bescheiden katjes tussen het prille blad. In de tuinen bloeien blauwe en goudenregen en in de parken hebben de paardekastanjes hun kaarsjes ontstoken. - De IJsheiligen staan voor de deur: Sint Mamertus op 11 mei, Sint Pancratius op 12 mei, Sint Servatius op 13 mei en Sint Bonifatius op 14 mei.

Daarna komt het fluitenkruid in volle bloei langs wegen en dijken en in de bossen, waar de lelietjes-van-dalen, de meidoorns en de wilde lijsterbessen volop bloeien. - Er vliegen al aardig wat limonadewespen rond. Dat zijn de eerste werksters uit de nieuwe nesten. De gewone wesp maakt dat nest vaak in een holletje in de grond. De Duitse wesp geeft de voorkeur aan een beschutte plek, een schuur of een zolder. - De jonge staartmezen zijn uitgevlogen en trekken met hun ouders door bossen, parken en tuinen. Daar kom je nu ook de familietjes van kool- en pimpelmees tegen, de jongen met een slijpend geluid bedelend bij de ouders. - Van onder de dakpannen klinkt de bedelroep van de jonge spreeuwen. De oude vogels hebben het druk met voeren en zoeken in troepjes voedsel voor de jongen op grasvelden en in weilanden. - Een van de beste broedgebieden van de blauwborst is door de aanleg van de Afrikahaven bij Ruigoord verloren gegaan. Er broedden daar niet minder dan 82 paren! De blauwborst is gelukkig nog talrijk op andere geschikte terreinen rond Amsterdam: rietland met wilgenstruiken.

mailIcon print |