Trek de lippen in een tuut en beweeg ze op en neer: we hoeven niemand te vertellen hoe een konijn te imiteren. Een rat is minder vertrouwd, de tuut wordt een tuutje en dat moet hem dan maar zijn. Maar vraag een konijn eens een mens na te bootsen, met een dikke sigaar tussen dat gebitje.
Gezien hun knaaggestel en de rest van het uiterlijk, de morfologische kenmerken, lijdt het geen twijfel dat ze bij elkaar horen: konijnen, hazen, marmotten, ratten en muizen. Toch durven Isralische en Franse onderzoekers in het wetenschappelijke tijdschrift Nature (25/1) te beweren dat het konijn meer weg heeft van een mens of aap dan van een rat of eekhoorn. Daarbij kijken ze niet naar het gebit en de poten maar naar eiwitten.
De moleculaire biologie lijkt hier een kleine aardverschuiving in de taxonomie, de biologische systematiek, teweeg te brengen. Taxonomen scharen sinds jaar en dag de orden van de haasachtigen, de Lagomorpha, en die van de echte knaagdieren, de Rodentia, onder dezelfde noemer, de groep Glires.
Die beesten knagen weliswaar niet allemaal eender, sommige enkeltandig, andere dubbeltandig. Echte knaagdieren hebben één beitelvormige snijtand in onder- en bovenkaak, de haasachtigen twee. Maar gezien de verdere constructie van kaken en gebit moeten ze in evolutionaire zin aan elkaar hebben geroken. Ook de botten vertonen veel overeenkomsten, waarneembaar met het blote oog en in het detail dat de anatoom bestudeert.
Het ontrafelen van de waaier van placentale zoogdieren, waarvan de jongen tijdens de embryonale ontwikkeling worden gevoed door een placenta, is buitengewoon ingewikkeld. In de laatste periode van het Krijt en het vroege Tertiair heeft de evolutie een sprint getrokken waarbij zich meer dan twintig verschillende orden van placentale zoogdieren ontwikkelden, deels al weer uitgestorven. Walvissen, vleermuizen, de eerste primaten, ze zijn van die dagen van rond zestig tot zeventig miljoen jaar geleden, en het is bijzonder moeilijk om nog na te achterhalen welke hoofd- en zijwegen de evolutie toen volgde.
Maar juist van de haasachtigen en de kleine knagers zijn uit de periode van rond zestig miljoen jaar geleden fossielen gevonden met morfologische kenmerken die wijzen op een gemeenschappelijke, evolutionaire achtergrond. Beide knagertypen zouden ooit uit Azië deze kant op zijn gekomen.
Toch moeten we nu geloven dat de haasachtigen meer met ons gemeen hebben dan met een rat of eekhoorn. Maar liefst 88 eiwitten van haasachtigen, primaten, knaagdieren en 'verder weg' gelegen dieren werden door Israëlische en Franse onderzoekers vergeleken op de volgorde van de aminozuren, de bouwstenen van eiwitten. Eiwitten maken mens en dier en in de verandering binnen die eiwitten, wijzigingen dus in de aaneenschakeling van aminozuren, is de evolutie zichtbaar.
Klipdassen
En dan blijkt de haas in ene veel dichter bij ons in de buurt te zitten dan bij knaaggenoten van de orde Rodentia. Om geen overhaaste conclusies te trekken zochten de zoölogen en biochemici binnen andere orden naar dieren die in hun eiwitten meer gemeen hebben met de haasachtigen dan mens of aap. Maar tal van vleeseters, insekteneters, klipdassen (hoefdieren), vleermuizen en andere beesten legden het af tegen de eensgezindheid in eiwit tussen haas en primaat. Op een enkele uitzondering na, zoals de toepaja uit Zuidoost-Azië, een beest dat vroeger spitseekhoorn werd genoemd, maar nu als halfaap wordt beschouwd. Geen echte uitzondering dus.
Glires exit? Hoe verklaar je dan dat onze ogen ons gebieden om in hazen, konijnen, marmotten, eekhoorns en ratten dieren van eenzelfde komaf te zien? Een mooie suggestie van de onderzoekers: het kan betekenen dat veel placentale zoogdieren uit de tijd dat de evolutie er de vaart in zette, rond zeventig miljoen jaar geleden, vooral uiterlijke trekken kregen die we nu uitdrukkelijk aan knaagdieren toeschrijven.
Terwijl de afstammingsboom van zoogdieren zich daarna vertakte, verloren vele diersoorten deze kenmerken, maar hier en daar overleefden knaagdiertrekken de evolutionaire tand des tijds. En wellicht ook in dat beest dat in de afstammingsboom binnen de takkenformatie van mens en apen huist, de haas.
De ogen weigeren het te geloven: Zoef de Haas staat ons evolutionair meer nader dan Knabbel en Babbel. Paleontoloog Michael Novacek wil er in zijn commentaar in Nature ook niet zondermeer aan. Sommige, belangrijke eiwitten van haasachtigen en knaagdieren lijken juist wèl sterk op elkaar.
Het vergelijken van diergroepen gaat er trouwens te grof aan toe, meent Novacek. Zeg dat je in een combinatie van vier diersoorten de eiwitten van een aap, een haas en een rat steeds vergelijkt met die van een vierde, variërend beest. De haas staat dichter bij de aap dan de rat, dat had je al vastgesteld. Het zou vervolgens best kunnen dat de haas meer van de aap lijkt te hebben dan welk vierde beest je ook probeert.
Maar zolang je niet precies weet hoe de afstammingsboom van zoogdieren in elkaar steekt, is het goed mogelijk dat je dan volkomen onterecht concludeert dat haas en aap een gemeenschappelijke voorvader gehad moeten hebben. Misschien zit de haas toch op een heel andere tak, dichter bij een ander, niet beproefd dier dan de aap, en via die onbekende en nog een paar evolutionaire tussenstations uiteindelijk ook dichter bij de rat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.