*

 
dossier

Archief

Prioriteitennota Defensie is aan herziening toe

FRITS BOLKESTEIN − 31/01/96, 00:00

Dit artikel van de fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer is een verkorte versie van een inleiding die hij gisteren heeft gehouden voor de Vereniging ter beoefening van de krijgswetenschap.

Sinds 1991 zien wij bij de permanente leden van de Veiligheidsraad de bereidheid te interveniëren in conflicten binnen staten, nog voordat een stabiele vredesregeling tot stand is gekomen. Deze humanitaire operaties zijn tot nu toe niet erg succesvol verlopen. Somalië, Rwanda en Bosnië tonen aan dat het oude klassieke concept niet meer voldoet. Een missie van VN-eenheden, die licht zijn bewapend, een beperkt mandaat hebben en deel uitmaken van een stroperige politieke en militaire structuur, is gedoemd te mislukken.

Macht kan slechts worden geneutraliseerd door tegenmacht. Waar de internationale gemeenschap eenmaal heeft besloten militair in te grijpen, dient krachtig en overtuigend te worden opgetreden. Een dergelijke operatie, die sterk afwijkt van de klassieke vredesoperatie, kan daarom niet onder de directe leiding van de VN worden uitgevoerd. Daarvoor is een militaire organisatie zoals de Navo of een groep van gelijkgezinde landen nodig. De VN missen de ervaring en deskundighed en zijn door hun bureaucratische organisatie ongeschikt leiding te geven aan complexe militaire operaties. Nederland moet aan dergelijke operaties, zolang zij onder VN-leiding staan, dan ook niet meer meedoen.

Maar militaire middelen zijn geen haarlemmerolie. Bij interventie in conflicten binnen staten zal men zich vooraf moeten afvragen of het politieke doel met inzet van militaire middelen wel kan worden behaald. Daarbij moet men beseffen dat humanitaire hulpverlening, zoals die in Bosnië werd uitgevoerd, wel de pijn verzacht maar doorgaans het lijden verlengt. Bovendien rijst de vraag of westerse landen wel tot een krachtdadig optreden bereid zijn. Ik zie nauwelijks politieke bereidheid bij westerse landen om mee te doen aan VN-operaties in het hogere deel van het geweldspectrum. In de Prioriteitennota werd die bereidheid nog wel uitgesproken. In de praktijk zal zij er toch alleen zijn als vitale Nederlandse of bondgenootschappelijke belangen op het spel staan.

In de Prioriteitennota is ook gekozen voor kwaliteit ten koste van kwantiteit. Maar de praktijk wijst uit dat militaire operaties meer personeel vereisen dan verwacht. Waar het in het klassieke interstatelijke conflict aankomt op 'bemande wapens', zien wij in het huidige intrastatelijke conflict een grote behoefte aan 'bewapende mannen'. Daarom zal de behoefte aan infanterie-eenheden, commando's en mariniers toenemen. Ook de opbouw van zogenaamde 'failed states' vereist steeds vaker de inzet van een internationale politiemacht. Hierdoor neemt ook de vraag naar inzet van de Koninklijke Marechaussee toe. Voor deze nieuwe situatie zijn dus andere middelen nodig, waar het nu aan ontbreekt. De Prioriteitennota heeft al deze ontwikkelingen niet voorzien.

Voorwaarden

De preventieve rol die de krijgsmacht, als schildwacht voor de vrede, tijdens de periode van de Koude oorlog vervulde, is in een actieve rol ter bevordering van de internationale vrede en veiligheid gewijzigd. Dit gewijzigde optreden vereist ook een zorgvuldige politieke besluitvorming. Voordat de Tweede Kamer instemt, dient aan drie minimumvoorwaarden te zijn voldaan.

Allereerst dient deelname in het Nederlandse belang - in brede zin - te zijn. Dit lijkt voor de hand te liggen, maar het moet glashelder zijn waarom juist Nederland aan een bepaalde missie mee moet doen. In de tweede plaats dient er een breed politiek en maatschappelijk draagvlak voor deelname te zijn. In de derde plaats moet de militaire opdracht uitvoerbaar zijn, waarbij de risico's in redelijke verhouding tot de in het geding zijnde belangen moeten staan.

Politici zullen dus goed moeten luisteren naar de adviezen van militairen die de opdracht moeten uitvoeren. Ik ben het op dit punt eens met Michael Howard, voormalig hoogleraar in de krijgsgeschiedenis aan de Universiteit van Oxford, die stelde dat de gewijzigde veiligheidssituatie meer eisen stelt aan de deskundigheid van regeringen en parlementen dan voorheen. “Het gaat er niet alleen om, te weten wat met militaire middelen kan worden bereikt, maar vooral om wat er niet mee kan worden bereikt.” Het regimentsvaandel, zo stelt hij, zal in de toekomst niet vol hangen “met medailles van de veldslagen die men heeft gewonnen, maar juist met de veldslagen die men heeft voorkomen”.

Los van deze wijsheid kunnen op basis van recente ervaringen al enige lessen worden getrokken. Zo moeten militairen niet met twee tegenstrijdige opdrachten op pad worden gestuurd. Brood uitdelen op de grond en tegelijk bommen gooien vanuit de lucht, zoals in Bosnië gebeurde, staat onderling op gespannen voet. Het is òf het één òf het ander.

Een tweede les is, dat Nederland geen zwaar karwei alleen moet opknappen. Wij moeten, zoals gezegd, onze mogelijkheden niet overschatten. Militaire operaties moeten wij gezamenlijk uitvoeren met landen die politiek wat meer in de melk te brokkelen hebben. De indeling van de Nederlandse eenheid bij de Britse brigade voor de operatie Joint Endeavour zoals die nu in Bosnië wordt uitgevoerd, is daar een voorbeeld van.

Ook dient aan onze deelname een tijdslimiet te worden verbonden. No entry without exit. Wat de tijdsduur van onze deelname aan de Ifor-operatie in Bosnië betreft, kan dan ook geen onduidelijkheid bestaan. Onze troepen maken deel uit van een Britse brigade. De Britten hebben hun deelname gekoppeld aan de Amerikaanse aanwezigheid. Wanneer de Amerikanen vertrekken zullen de Britten en dus ook wij vertrekken. Wanneer die toestand zich voordoet, moet Nederland niet naïef zijn maar realisme boven idealisme stellen. Ook dat is één van de lessen van het afgelopen jaar.

Al deze kanttekeningen en voorwaarden betekenen niet dat wij voor onze verantwoordelijkheid moeten weglopen. Ook Nederland is gebaat bij een stabiele omgeving en bij handhaving van de internationale rechtsorde. Wij zullen dan ook onze bijdrage naar evenredigheid moeten blijven leveren. Wel kunnen vragen bij het ambitieniveau worden gesteld.

In de Prioriteitennota is vastgesteld dat Nederland aan vier vredesoperaties tegelijk moet kunnen deelnemen. Ik zie dit eerder als een bovengrens dan als een ondergrens. Bovendien schiet de roulatiecapaciteit voor een aantal eenheden tekort. Daarom pleit ik er voor dat wordt bezien of bijsturing van het beleid op deze onderdelen noodzakelijk is. Immers, ook het defensiepersoneel is niet van elastiek.

Naast de twee hoofdtaken wordt de krijgsmacht nog voor tal van andere taken ingezet. Humanitaire operaties, maar ook de bestrijding van de drugsmafia in het Caribisch gebied en het mobiel toezicht op vreemdelingen langs onze grenzen behoren tot de activiteiten van defensie. Ook op het gebied van het opruimen van mijnen, een van de grootste humanitaire problemen voor de bevolking in voormalige conflictgebieden, zou Nederland een voortrekkersrol kunnen vervullen.

Defensie is door zijn professionele personeel en veelzijdigeid aan middelen bij uitstek geschikt ook een bijdrage te leveren aan de uitvoering van het integrale veiligheidsbeleid. Dit komt er op neer dat de risico's die onze samenleving bedreigen, met alle beschikbare middelen - ongeacht het departement waarbij ze zijn ingedeeld - worden bestreden.

Ontschotting op dit terrein is noodzakelijk voordat de wal het schip keert.

mailIcon print |