1 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
Mensen verbazen zich erover dat van mij te horen, ik krijg veel kritiek uit gelovige kring. Laatst schreef iemand mij dat vuurlopen des duivels is. Het stond allemaal in het Oude Testament; God had bevolen dat het niet mocht. Ik kon het nergens vinden, hoor, maar het zal wel zo zijn als die man dat zegt. Ik begrijp het niet. Vuur is ook louterend. Zoals in alles het heilige zit, zit ook in alles het duivelse. Ik voel me niet gekwetst door zo'n brief, maar ik ben wel verbaasd over de menselijke geest; hoe zij steeds weer in staat blijkt de meest wonderlijke combinaties te maken. Maak je het mensen dan nooit naar de zin? Ik denk het niet. Ik reageer vaak impulsief. Als ik daarna inzie dat ik het verkeerd gedaan heb, spoor ik je op en zeg: 'Sorry, ik heb je pijn gedaan'. Ik ben een gevoelsmens. Als twee mensen elkaar aanvallen op straat, spring ik er tussen. Net als Joes Kloppenburg die in Amsterdam iemand te hulp schoot. Alleen moest hij het met de dood bekopen en dat zal mij niet gebeuren, want ik word 89. Ik weet dat de hand van God bij mij is. Raar, hè? Ik heb gewoon dat vertrouwen. Als Hij zegt dat mijn tijd voorbij is, dan is mijn tijd voorbij. Dan pas.''
2 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
“Mijn favoriete film is De Tien Geboden van Cecile B. DeMille, met Charlton Heston als Mozes. Ik heb die film wel honderd keer gezien. Ik herken mijzelf in het verhaal van het jongetje dat alles heeft, maar uiteindelijk toch kiest voor zijn roots en voor het rechtvaardigheidsgevoel. Ik heb altijd gedacht dat God echt met zijn vinger die regels in de stenen tafelen heeft gebrand, net als in de film. Op een gegeven moment zie je Mozes de berg afkomen en de mensen dansen rond een gouden kalf: ze hebben niets aan beloftes, ze hebben een beeld nodig. Katholieken hadden vroeger allemaal een kruisje aan de muur, tegenwoordig hebben veel mensen een boeddhabeeldje in huis. Je kunt bij een beeld blijkbaar veel gemakkelijker je sores kwijt. En van iets tastbaars mag je ook eerder iets terug verwachten. Er is eigenlijk, door de eeuwen heen, helemaal niets veranderd. Dat vergelijk ik wel eens met wat er tijdens mijn seminars kan gebeuren. Daarin zien en horen de deelnemers bijvoorbeeld hoe een vrouw haar angst voor slangen overwint en uiteindelijk zelfs zo'n dier om haar nek hangt, maar daarna steekt toch meteen die twijfel de kop weer op. Is het wel een echte slang? Zou die vrouw niet altijd meegaan met Ratelband? Is het geen artiest? Dan denk is wel eens: hoe is het mogelijk dat mensen horend doof en ziende blind zijn?”
3 Gij zult de naam van de Here, uw god, niet ijdel gebruiken
“Ik ga God toch niet vragen om mij te verdoemen? Maar ja, ik ben zo emotioneel, ik voel me af en toe zo wanhopig - dan kan ik het niet helpen. Ik kan ervoor zorgen dat een zaal vol mensen begrijpt wat ik bedoel, maar met de mensen van wie ik houd, kan ik vaak niet communiceren. Die willen het niet begrijpen. Daar ga ik van vloeken. Of als mensen hun afspraken niet nakomen, vreselijk. Dan worden ze ook bang van mij, hè? Ik ben dan buiten mezelf van woede. 'Wil je nou niet of kun je niet?' 'Ik wil niet.' 'Waarom zeg je dat dan niet?' 'Ja, jij bent zo dominant.' 'Zeg dat dan! Waarom zeg je dat dan niet?' En dan vloek ik ze helemaal stijf. Sorry hoor, maar daar kan ik echt niet tegen. Kees de slangenman is altijd bij me als ik naar seminars ga. Hij verzorgt de dieren, het licht en het geluid. Er gaat iedere keer wat fout, maar hij doet z'n best. Zo simpel is het voor mij: als ik die jongen zie zweten, verdwijnt de woede zo en lossen we het op. Maar lamlendigheid, daar word ik gek van.”
4 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de here uw god, dan zult gij geen werk doen
“Ik herinner me dat ik er vroeger de smoor in had dat ik op zondag - mijn enige vrije dag - een hoop dingen niet kon doen. Maar nu slaat het door naar de andere kant. De mensen hebben geen rustpunt meer. We gaan, met die koopzondagen, naar een 24-uurseconomie toe en dat is niet goed. Als je 's nachts om drie uur je suiker kunt gaan halen bij de Shell-pomp, verlies je een stukje discipline om bijvoorbeeld een boodschappenlijstje te maken en dus te overwegen: waar zal ik het halen? Nee, je koopt het nu gewoon wanneer je het nodig hebt, betaalt twee knaken te veel en komt aan het eind van de week geld tekort. Zo zie je dat alles wat positief lijkt, ook een negatieve kant heeft en andersom. Niet alles kan, niet alles 'moet kunnen'. Al dat positieve denken heeft ook z'n nadelen. Maar weinig mensen kunnen het handlen als ze terechtgewezen worden. Ze kunnen niet meer omgaan met kritiek, kinderen ook niet. Daarom vertel ik nu ook op seminars dat je niet langer tegen je kinderen moet zeggen: 'Wat goed dat je ook een vier hebt'. Nee, geef ze op hun flikker als ze een vier hebben! Ik heb altijd gezegd: drie voldoendes, drie onvoldoendes, jongens er is nog evenwicht. Ik was de man van: alles is mogelijk. Ik realiseer me nu dat ik daarin ook doorgeslagen ben geweest.”
5 Eert uw vader en uw moeder
“Ik bel mijn moeder minimaal een keer per dag op, waar ik ook ben. Gewoon van: 'Mamma, hoe is 't? Wat heb je gedaan? Lekker geslapen?' Ik ga ook altijd spontaan bij haar langs, zo'n anderhalf keer per week. Eren is respect hebben, aandacht schenken. Ik denk dat ik haar dat verschuldigd ben. Mijn vader is gestorven toen ik twaalf was. Hij was lang ziek, maar waar hij aan geleden heeft, heb ik niet geweten. Daar werd niet over gesproken. Het afscheid van mijn vader is een trieste, vervelende ervaring geweest. Vlak voor Kerstmis was hij opgenomen in het ziekenhuis, op Eerste Kerstdag lag hij al in de badkamer. Dat betekende vroeger dat je doodging, dan kon je gelijk afgelegd worden. Mijn vader was nog bij zinnen en 's avonds zei hij ineens tegen mij: 'Ik weet waar het aan ligt. Het zijn mijn tanden, mijn tanden moeten er uitgetrokken worden. Vraag aan dokter Giesseke - dat was onze tandarts - of hij meteen wil komen'. Ik heb dokter Giesseke gebeld, een heel erg dikke man, van tweehonderd kilo. Hij had een fiets met twee zadels en ontzettend dikke vingers die hij in van die rubberen handschoenen propte als hij een patiënt behandelde. Ik proef nog de talkpoeder waar die handschoenen mee werden ingewreven. Ik vertelde hem waar mijn vader mij om had gevraagd. Hij zei: 'Ik zit nu aan het kerstdiner, kom me maar ophalen om elf uur'. Dus ik ben naar hem toe gereden, met ome Piet in zijn Ford Anglia. Dokter Giesseke stapte in en die auto ging meteen schuin hangen. We kwamen aan in het ziekenhuis, dokter Giesseke trok mijn vaders tanden en pappa zei tegen mij: 'Nu komt alles goed, ik word beter. Tot morgen'. In dat vertrouwen ben ik naar huis gegaan. En diezelfde nacht is mijn vader overleden.”
“Voor mij is het altijd moeilijk om afscheid te nemen, van wie dan ook. Dat is mijn trauma, die associatie is mijn negatieve anker, zoals ze dat nu zeggen. Ik kan er nu over praten, maar tien jaar geleden begon ik meteen te huilen als dit verhaal ter sprake kwam. Ik heb wel eens woorden met mijn kinderen en mijn zoon heeft daarvoor de volgende strategie ontwikkeld: hij loopt weg. Hij gaat de confrontatie niet aan. En dan roep ik hem altijd terug, want de gedachte dat hij zich dood zou rijden - of ik - terwijl wij niet goed uit elkaar waren gegaan, is haast ondraaglijk. Misschien probeer ik het daarom wel altijd goed te maken en doe ik dingen voor de lieve vrede. Die vreselijke ervaring met mijn vader heeft mij een stuk mildheid, een stuk zachtheid opgeleverd. Of zou het angst zijn? Ja, het is hoogstwaarschijnlijk toch de angst dat het me nog eens zal overkomen. Ik ben niet bang om, net als mijn vader, jong te zullen sterven. Vroeger wist ik zeker dat ik 34 zou worden. Daar had ik ook alles op afgestemd: hypotheken, levensverzekeringen, alles. Toen ik 34 werd, heb ik een soort sensitivity-training meegemaakt en ben ik, geestelijk, gestorven. Toen ik overeind kwam, heb ik een streep onder mijn oude leven gezet en ben opnieuw begonnen. Ik heb nu gezegd: 89 jaar. En zo oud zal ik ook worden. Ik ben niet roekeloos, maar ik rij wel op een bepaalde manier van: de hand van God is bij me, want ik heb nog veel te doen.”
6 Gij zult niet doodslaan
“Ik zal nooit iemand doden, maar voor mij geldt wel: oog om oog, tand om tand. Jij moet gewoon met je poten van mijn kinderen afblijven. Je moet met je poten van mij afblijven. Op het moment dat jij mij te na komt, heb ik het recht op zelfverdediging. En dan ga je er gewoon aan. Ik heb respect voor meneer Heineken hoor, want ik had die ontvoerders geliquideerd, persoonlijk, sans rancune. Een Dutroux? Langzaam doodmaken. Genetisch gestoord? 't Zal best, afspuiten, op de Dam. Dat werkt een angstmechanisme in de kaart: wie zoiets ziet, zal zich nog eens bedenken voor hij zich aan de kinderen van een ander vergrijpt. En wie steelt van zieken, of van mensen die een begrafenis bezoeken, verdient het dat z'n handen worden afgehakt. Het gewone jatwerk, da's iets anders. Daar moeten we Vlieland voor ontruimen en er een concentratiekamp van maken. En die gasten flink op hun flikker slaan, goed met de bullepees. Voor de rest mogen ze gewoon televisie kijken hoor en hamburgers eten bij McDonald's Vlieland, maar ze moeten wel werken met die pens. Ledigheid is des duivels oorkussen. Als ze maanden in de gevangenis niksdoen, krijgen ze veel te veel tijd om na te denken. Van lang nadenken gaan we rare dingen doen.”
7 Gij zult niet echtbreken
“Inmiddels ben ik officieel gescheiden, maar ik probeer het steeds weer goed te maken. Mijn vrouw wordt daar helemaal ziek van en denkt: laat me nou verdomme eens een keer met rust! Terwijl ik denk: dat kan niet. Je kunt niet vijfentwintig jaar samen weggooien. En dan zeggen de mensen: 'Het woord niet bestaat voor jou toch niet?' Nou, precies, ik zit vol conflicten. Ze zeggen ook: 'Jij hebt alles op de rit'. Ik heb helemaal niets op de rit! Maar dat is dus mijn uitstraling naar buiten toe. 'Die Ratelband heeft de zaken goed voor elkaar', maar ik ben onzekerder dan het publiek in de zaal. Onzekerder dan wie ook. Ik ben een idealist. Wat mijn kracht is, is mijn zwakte. Ik geloof dat er altijd een mogelijkheid is. Ik geloof dat je niet moet opgeven, maar je moet wel met z'n tweeën zijn. Ik voel me verkracht, aangevallen, tekortgedaan, alleen gelaten en ik weet dat het een illusie is, dat het mijn eigen werkelijkheid is, maar ondertussen gebeurt het wel. Het heeft lang geduurd voordat de kogel door de kerk ging. Een vriendinnetje van ons zei het onlangs heel mooi: 'Ik heb altijd respect gehad voor het feit dat jullie het elke keer weer proberen, maar dat respect is nu veranderd in medelijden. Want het lukt je toch niet'. Ik ervaar dit alles niet als een nederlaag, maar ik denk wel: verdamme, dat ik dit niet naar mijn hand kan zetten. Daar ben ik boos om. Dat die ander niet wil. Die wil niet naar een therapeut, die wil niet praten, die wil niet iets in overweging nemen. Nee! Die wil alleen maar wegwezen. Maar ik vind dat wij een afspraak hebben gemaakt. We mogen allebei terugkomen op die afspraak, maar dan moet daar wel een gefundeerde reden voor zijn. Als je niet meer van elkaar houdt, is dat dan een reden? Je kunt van iedereen houden. Ik zit in een worggreep. Ik wil gewoon samen oud worden met die vrouw, maar zij wil dat niet meer met mij. Het meest kwetsende zou het voor mij zijn als zij, consequent, zou zeggen niet meer van mij te houden. Maar zolang ze de ene keer zegt dat ze mij haat terwijl ze een andere keer eweert dat ze van mij houdt, kan ik dat dus niet geloven. Ik ben zo langzamerhand een vrouwenhater geworden. Rare wijven, rare ideeën. Ik ben een beetje doorgeslagen, denk ik. Ik wil in ieder geval geen bijdehante juffrouw meer hebben, dat kan ik je wel vertellen. Daar kots ik van. Bweeh, bah.”
8 Gij zult niet stelen
“Volkomen mee eens. Zelf veel gedaan trouwens, vroeger. Kruidenierswaren, Dinky Toys, bromfietsen, van alles. Ik ben gelukkig gepakt door de politie. Toen ik voorkwam, werd er gezegd: 'Emile steelt ter compensatie van het feit dat zijn vader zo vroeg is overleden'. Kletskoek natuurlijk. Ik kwam bij Pro Juventute terecht en moest twee jaar lang, elke woensdagmiddag van half twee tot half zes, met iemand gaan praten. Ik vond het zo fijn, dat we die gesprekken na die tijd op donderdagavond bij hem thuis nog hebben voortgezet. Ik had op het moment van stelen nooit de gedachte dat ik iets deed wat niet mocht. Het was kattenkwaad. Ik begrijp het slechte in de mens, dat zit ook in mij en gedurende een periode van mijn leven heeft het de boventoon gevoerd. Toen ik op mijn 34ste dat inzicht kreeg, was het over. Ik heb nooit meer iets gestolen. Ik ben er wel van beschuldigd, door anderen. Maar dat ging over woorden, voor zover je die kunt stelen. Men zei dat ik de ideeën van Anthony Robbins (Amerikaanse succes-goeroe, red.) heb gestolen. Maar Robbins en ik hebben afgesproken dat ik zijn woord naar Europa zou brengen en hij zijn verhaal in Amerika zou blijven vertellen. Bovendien heb ik er tijdens mijn seminars inmiddels iets totaal anders van gemaakt. En wat Tsjakka! betreft: omdat Youp van 't Hek er problemen over maakte, hebben we uitgezocht wie dat woord nu voor het eerst heeft gebruikt. Toen bleek dat ik het niet van Youp, maar Youp het van mij gestolen heeft.”
9 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste
“Niet liegen. Niet doen. Ik heb vroeger altijd gelogen, daarom zeg ik dat. Je moet het allemaal terugbetalen. Daar geloof ik heilig in. Reïncarnatie vindt niet plaats in andere levens; zij vindt plaats in dit leven. Je kunt wel eens de waarheid anders vertellen. Dat is ook gebeurd met die beruchte uitzending van Spijkers, waarin Piet Vroon en ik te gast waren. Vooropgesteld dat ik het vreselijk vind wat er met Piet Vroon is gebeurd, was ik wel pissig op Spijkerman omdat hij hele stukken uit de opnamen had geknipt. Wat je niet te zien kreeg, was dat Vroon me een charlatan noemde. Ik zei toen: 'Toch wel raar dat een charlatan al zes jaar lang mensen weet te overtuigen'. Waarop Vroon zei: 'Dat deed Hitler ook'. Ik heb Spijkerman gebeld en gezegd: 'Als ik zoiets had geroepen, had je het erin laten zitten'. Hij zei dat hij Vroon tegen zichzelf in bescherming wilde nemen. Misschien is dat wel verstandig geweest. Het is mij niet opgevallen dat Vroon gek deed; hij had de laatste jaren niet anders dan vreemd op mij gereageerd. Terwijl ik hem hoog had. Dat zo'n autoriteit zo moest eindigen, maakt me erg verdrietig.”
10 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
“Ik kan de zon goed in het water zien schijnen, al is dat makkelijk gezegd omdat ik het zelf zo fantastisch heb. Maar mijn perceptie is ook anders: ik kijk naar mensen, vraag hoe ze iets voor elkaar hebben gekregen en probeer het vervolgens na te doen. Ik ben niet zo van: 'Wat ben jij een koloniaal in je dikke auto, ik zal er eens een flinke kras in zetten'. Nee, ik probeer die auto ook te krijgen. Als ik mensen gearmd over straat zie lopen, denk ik wel eens bij mezelf: shit, waarom zij wel en ik niet? Maar ik geniet er ook van, ik vind het prettig om gelukkige mensen te zien. Ik ontleen mijn eigen geluk aan het geluk van anderen. Ik denk dat elk mens op deze aarde wordt neergezet met een missie; we hebben elkaar allemaal nodig. Vroeger konden mensen nog berusten, maar nu blijven wij ons voortdurend afvragen waartoe we hier op aarde zijn. Misschien is dat het wat de mensen zo ontevreden maakt: we krijgen er - op een door ons gestelde tijd - geen antwoord op.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.