In zijn roman De grote verschuiving van de aardas in 1998 noemt Hendrik van Teylingen zich een geestelijk aspirant, voor wie het een plicht is om 'met het zwaard van zijn verstand, gewet door bovenzinnelijke kennis' de drakenkoppen van het intellectuele nihilisme te onthalzen. Een van die drakenkoppen is Bert Keizer, verpleeghuisarts en schrijver van de bestseller Het refrein is Hein, waarvan de vertaalrechten verkocht zijn aan Duitsland, Engeland, de Verenigde Staten, Japan, Zweden, Finland, Denemarken en Spanje. “Zoals zo vele drakenkoppen draagt Keizer een juwelenkroon. Daarin flonkert voorwaar veel kostbaars: de parel van zijn taal, de smaragd van zijn eruditie, de lapis lazuli van zijn lolligheid, de robijn van zijn ijver, de topaas van zijn empathie. Maar vanwege de bruinkoolbonk van blind atheïsme te midden dezer stenen, die hun flonkering absorbeert, kunnen ze me niet bekoren.” Op uitnodiging van Letter & Geest praten Hendrik van Teylingen en Bert Keizer over de vergiftiging des geestes, de Bhagavad-gita, ruimtepakken en kiespijn.
'Werkelijk geloven is altijd nog meer dan denken over het geloof. Voor mensen, aan wie het eerste ontnomen is, maar die althans het laatste nog doen, in een eerlijke poging om het verlorene in een nieuwe gestalte te herwinnen, heb ik het diepste respect. Zij dienen dan echter wel te beseffen, dat zij zoeken naar iets wat de ander behouden heeft. Zodra zij de reflectie op het geloof hoger stellen dan de directe beleving ervan, wordt het een intellectueel spel. Dit zoeken dient als een persoonlijke nood ervaren te worden. De begeleidingsverschijnselen, waaraan men die gesteldheid herkennen kan, zijn allereerst deemoed om eigen ontoereikendheid en een sterk verlangen om eruit te komen. Het is lijden aan het geloof. Hierbij behoort dat men degenen, die dit leed bespaard bleef, eerder benijdt dan welwillend tegemoettreedt. (. . .) Iemand die voor het slapen gaan neerknielt en bidt, kan men niet behoudend noemen. Men kan alleen zeggen dat hij iets behouden heeft. En de man, die gewoon in bed stapt, is dat kwijt. Het is, meen ik, alleen in dit besef dat de dialoog gevoerd mag worden.''
Aldus Godfried. Maar Bomans is een heimwee-figuur. Hij is de kerk uitgerend en realiseerde zich halverwege de trappen dat gregoriaans mooie muziek is. Jullie begrijpen dat ik Bomans niet met instemming heb voorgelezen. Waar Bomans zegt, 'dan wordt het een intellectueel spel', zou ik zeggen: toen is het interessant geworden. Ik zou het ook geen intellectueel spel noemen, ik zou het de essentie van mens-zijn noemen: niet begrijpen wat er aan de hand is.''
Van Teylingen: “Het is voor mij moeilijk anders te spreken dan vanuit de Bhagavad-gita, waarmee ik zoveel jaren ben omgegaan. Daarin wordt gezegd dat je niet met je denken tot God kan komen, maar alleen met het vermogen tot liefhebben, toewijding, dat bhakti wordt genoemd. 'Het is alleen door bhakti dat je mij kunt leren kennen', zegt de Bhagavad-gita. Dat is de taal waarin ik ben gaan spreken en voelen. Geloof is voor mij in eerste plaats gevoel. De kennis eromheen, het denken erover, kan helpen het gevoel te richten, maar dan moet het denken van het allerhoogste niveau zijn. Dus ook vervuld van de deemoed waar Bomans het over heeft. Mijn geloofsgenoten en ik proberen net voldoende kennis over het geloof te verwerven, net voldoende om te weten in welke banen we ons gevoel veilig kunnen laten gaan. Het gaat om het hart, niet om het hoofd. Het hoofd is nodig om het gevoel en het hart te oriënteren, zodat je niet zwicht voor iets dat alleen op een sentimentele manier het hart aanspreekt.”
Keizer: “Zou u zeggen dat er in het Westen zonder gevoel wordt gedacht?”
Van Teylingen: “De impuls tot het denken komt uit gevoel voort, uit het hart dat zoekt naar antwoorden op vragen als: wie ben ik, waar ga ik naar toe, wat is geluk. Ik heb het vermoeden dat het westerse denken, wanneer het eenmaal op gang is gekomen, abstract is, cerebraal.”
Keizer: “Is het niet zo dat het denken in het Westen niet abstracter, maar concreter wordt, sinds we er niet meer in slagen tot een samenhangend verhaal te komen over het bestaan en we ons moeten neerleggen bij het alledaagse? We zijn het gevoel kwijt ergens in het heelal bij iemand op schoot te kunnen zitten. Ik juich daar niet over. Nietzsche is de eerste die met veel bravoure het meubilair, waar we al die eeuwen zo lekker in gelegen hebben, uit het raam kwakt. Wij zitten nu een tijdje in die kale kamer en denken: valt een beetje tegen eigenlijk, het opruimen was wel leuk, maar als we uit het raam kijken naar wat er op de bodem van de slotgracht ligt, constateren we dat er weinig voor in de plaats is gekomen. Maar dat doet niets af aan liefde, kunst en kennis.”
Van Teylingen: “Wat versta je onder liefde, wat versta je onder kunst en wat onder kennis? Voor mij zijn deze begrippen alleen werkelijk als ze verbonden zijn met het goddelijke. Als je die verbinding kwijtraakt, is kennis empirie, liefde lust en kunst een individueel dolen in de wereld van vormen, kleuren en woorden.”
Keizer: “Waarom zou liefde zonder God kaler zijn? Je kunt toch van je vrouw houden zonder God?”
Van Teylingen: “Als je niet gelooft in een hiernamaals is de liefde vervuld van een vrees dat het ooit afgelopen zal zijn. Zonder een vast punt in een levende transcendentie, waar je allebei aan gelieerd bent, maakt het individu uit wat er gebeurt; en naarmate je ouder wordt, neemt de angst toe dat je vrouw, die misschien een beetje jonger is, geïnteresseerd raakt in frissere kandidaten, die haar gelukkiger kunnen maken dan ik in mijn toenemende rimpeligheid en knorrigheid. Zonder wederzijdse verbondenheid met de transcendentie is er geen garantie dat genegenheid, warmte en tederheid beklijven.”
Keizer: “Zou uw vrouw zich makkelijker over uw spataderen heenzetten wanneer Gods zegen erop rust?”
Van Teylingen: “Zeker rust Gods zegen op spataderen.”
Keizer: “Mijn vrouw houdt van mij zonder God. Als ze zei: 'mijn liefde is gelieerd aan de transcendentie', zou ik denken dat we andere wijn moeten inslaan.
Maar ik begrijp het wel, want ik kom uit de transcendentie. Mijn moeder woonde op een grote boerderij in de polder, tussen Nijkerk en Bunschoten, net onder de dijk waar toen nog de Zuiderzee was. In 1916, tijdens een overstroming, hebben ze met het gezin op het dak gezeten. Nog tijdens mijn jeugd in Amersfoort baden wij tijdens onweer. We knielden elk voor een stoel, terwijl mijn moeder door het huis ging met een palmtakje, dat met Palmzondag gewijd was. Ik heb dat nooit belachelijk gevonden, het leek me zelfs de beste afweer tegen onweer. Fijn dat je moeder een gebaar heeft om je extra in te pakken.''
Van Teylingen: “En dat gevoel bent u nu kwijt?”
Keizer: “Dat ben ik kwijt. Daar moet je je geen worsteling bij voorstellen. Ik heb de katholieke kerk ook nooit verlaten, het is het tijdsgewricht dat in mij doorsijpelt: vanaf 1965 zijn we, achter The Beatles aan, de andere kant uit gelopen. Ik vind dat geen kruis in mijn leven, vooral omdat er wel degelijk liefde is in mijn leven, en die is niet kaler omdat er geen transcendentie is. Ik zou bij die blijvende liefde waar u het over hebt een boerenlullenvraag willen stellen: op grond waarvan denken we dat iets blijft?”
Van Teylingen: “We moeten erkennen dat ons verstand zijn beperkingen heeft. Het verstand kan niet peilen voorbij de materiële wereld en evenmin voorbij de mentale en de intellectuele wereld. De Bhagavad-gita zegt: 'Je kunt Me niet kennen met je verstand, maar alleen wanneer je je voor Me openstelt in volle toewijding'. We zijn te klein om het onmetelijke te zien. Pas als we ons in volledige ontvankelijkheid openstellen kan het onmetelijke in ons doorstromen. Gebeurt dat, dan spreek je van verlichting, van de ervaring van hogere liefde. Wanneer je als man en vrouw in het licht van die liefde je leven leidt, kan die liefde groeien. Dat is ook een component van de definitie van liefde: het is iets wat groeit, in weerwil van alles wat met het lichaam gebeurt.
Liefde is dynamisch, net als de ziel - ik weet dat u niet in de ziel gelooft, ik geloof daar wel in en ik neem aan dat de ziel een sprank is van die transcendentie, ingepakt in een materieel lichaam, waarmee we ons vereenzelvigen. Ik zit hier Vedische filosofie of theologie te verkondigen. Deze manier van denken biedt mij een scenario, dat mij bevredigende antwoorden geeft op vragen over leven en dood en ziel en God en wereld en tijd en lot.''
Keizer: “De boerenlullenvraag was: welke aanwijzing hebben we dat er iets blijft?”
Van Teylingen: “Ik zeg wederom: je kunt daarover alleen informatie krijgen wanneer je je vol toewijding openstelt.”
Keizer: “Ik sta er helemaal voor open.”
Van Teylingen: “Dat is fantastisch, laat ik je dan een Bhagavad-gita geven. Alsjeblieft.”
Keizer: “Ik heb een Bhagavad-gita.”
Van Teylingen: “Je hebt de verkeerde vertaling. De meeste vertalers gaan er eigendunkelijk van uit dat degene die de Gita uitspreekt een gewoon mens is, door wie de transcendentie spreekt. Voor hen is de transcendentie onpersoonlijk: grote energie, groot licht, vrede. De traditie waarin ik de Gita heb leren bestuderen zegt: het hart van alle dingen is een persoon, uiteraard niet van vlees en bloed, maar het is een persoon.”
Keizer: “Waar is hij dan van?”
Van Teylingen: “Hij is Sat-chit-ananda. Sat: zijn gedaante is eeuwig. Chit: elk onderdeel is vervuld van volmaakt bewustzijn. Ananda: elk onderdeel is volkomen gelukzalig.”
Keizer: “Kunnen we even naar een substantivum? U hebt nu gezegd hoe hij is, maar wat is hij, waar is hij ván?”
Van Teylingen: “Hij is een ongeschapen persoon, die geen begint kent, hij is de oorzaak van alle oorzaken.”
Keizer: “Waarom zeggen we dit soort dingen: een persoon die geen begint kent. Ik wil niet abstract denken, ik wil concreet denken. 'Een persoon die geen begin kent' - dan ben ik al compleet in de mist, die komen we niet zo veel tegen, toch?”
Van Teylingen: “In het westerse denken niet zo zeer. In het denken van de Bhagavad-gita en aanverwante teksten is het gewoon. Anadir-adi-Govinda: 'de Alaantrekkelijke Heer die geen begin kent en het begin van alles is. Hij is altijd geweest. Toen er niets was, was hij, als er ooit niets zal zijn, dan hij is hij nog.' Daar kun je slechts naar luisteren, en het verstand met gevouwen handen bij stil laten staan.”
Keizer: “Per omnia saecula saeculorum. Ik heb geen probleem met de formulering, ik begrijp niet waar het over gaat. Het zijn verwaaide luchtbellen voor mij. Kun je praten met die Alaantrekkelijke?”
Van Teylingen: “Sommige Siddha's, personen die in staat van verlichting zijn, kunnen met hem spreken en hem zien, in gezelschap van zijn metgezellen. Zo is mij verteld. Ik heb zes jaar in een tempel gewoond en heb zodoende lang in kringen verkeerd die zulke Siddha's gekend hebben en kennen. Ik moet aannemen dat degene die ik op het ogenblik als mijn goeroe beschouw, Srila Bhaktivedanta Narayana Maharaja, deze aanschouwing ook heeft, dat hij God ziet, Krishna, de Heer, een wondermooie gedaante, met aan zijn zijde een vrouw, Radha, de vrouwelijke kant van God. Die vrouwelijke kant kennen we in het Westen niet echt, wel?”
Keizer: “Maria doet aardig haar best.”
Van Teylingen: “Ik kan van Gerard Reve goed begrijpen dat hij opgaat in Maria-verering. Ik was getroffen door de Maria in de basiliek van Scherpenheuvel. Vroeger stond daar een Germaanse eik. Nu staat er een mooie madonna met kind, zij zijn gekleed in kostbare stoffen en dragen een kroon. Boven in de nis, die verhoogd is aangebracht, staat een replica van de eik die op die heuvel gestaan moet hebben. Daar kun je devoot omheen wandelen. Zoals je in India om de altaren van de godin Doerga kunt lopen. Wanneer je daar gevoel voor hebt, werkt dat sterkend.
Maar om tot het onderwerp terug te keren. Ik zie God dus als een mannelijk persoon, samen met een vrouwelijk persoon die zijn pure liefde vertegenwoordigt. Hij is de bron, en zij is de liefdeskracht. En je kunt je die niet mooi genoeg voorstellen. Zo neem ik aan van beschrijvingen van zeer devote lieden.''
Keizer: “Ik vind het flauw dat er nou toch weer een tikje empirisme bij moet. Toen ik in 1995 in Salt Lake City was, de hoofdstad van de mormonen, vroeg ik of ik de koperen platen mocht zien, waarop het boek gegrift staat. Niemand mag ze meer zien, want ze zijn er natuurlijk niet. Vind ik ook niet erg. Maar ik vind het wel raar om zo'n spel te spelen met de empirie. Als mormoon zou ik zeggen: ik moet die platen meteen zien en verder geen gelul. Zo vind ik het ook vreemd dat u spreekt over beschrijvingen van zeer devote lieden van een aanschouwelijkheid die u nooit te zien zult krijgen.”
Van Teylingen: “Ik zei dat er ook Siddha's zijn die nog steeds die aanschouwing hebben. Bij hen kun je wel degelijk terecht. Omdat ik niet die ontwikkeling in toewijding heb, kan ik niet met ze meekijken.”
Keizer: “Vindt u dat niet flauw?”
Van Teylingen: “Ik weet dat ik veel te leren heb en niet met mijn vuist op tafel kan slaan van: nou wil ik het eindelijk ook wel eens zien.”
Keizer: “Als er een baas is, wil ik ook zijn adres.”
Van Teylingen: Dat heb ik voor u: Sri Keshava Gaudiya Math, Mathoera, Oettar Pradesh, India. De baas woont daar in het volmaakte hart van Srila Bhaktivedanta Narayana Maharaja.
Keizer: “Zoals je Jezus of God niet kunt bellen kun je Donald Duck niet bellen. U neemt mij kwalijk dat ik God en de Bijbel heb vergeleken met Donald Duck en het weekblad van die naam.
'Maar knappe denker', schrijft u in De grote verschuiving van de aardas in 1998, 'waarom vergelijkt u God slechts met Zijn schamele via-via-schepseltje Duck? Waarom vergelijkt u Hem niet meteen met een stinkende hondendrol?'
Ik belijd mijn positieve, verlangende gevoelens bij Donald Duck. Dat is niet lullig bedoeld. Ik schrijf ook hoe zeer ik, samen met Donald Duck, het stadje van Duckburg uit wilde rijden. Ik was daar als kind verliefd op. In die wereld wilde ik zijn. Ik heb in Het refrein is Hein God niet gelijkgesteld aan Donald Duck. Ik heb het verschil tussen Disneyfictie en Bijbelfictie willen beschrijven: hoe geroerd je ook bent door Donald Duck, ik zou het weekblad nooit vragen: waar woont Donald, waar kan ik hem ontmoeten? Ik weet: hij bestaat niet. Zo denk ik ook dat Jezus niet opbelbaar is. Niet consulteerbaar. Maar in religie consulteer je God wel. Daar begrijp ik het niet meer.''
Van Teylingen: “U spreekt over consulteren en opbellen. Misschien dat je ook kunt spreken over gebed of over opgaan in het prevelen van een mantra. En soms staat God of een van zijn expansies in eens voor je.
In het boek dat ik hiervoor heb gepubliceerd, De verschijning van de godin Sarásvati in Hellevoet, schrijf ik naar waarheid dat de godin Sarásvati verscheen aan mijn echtgenote. De godin sprak op zo'n manier dat mijn vrouw achteraf niet kon zeggen welke taal ze gebruikte. Maar ze was consulteerbaar. Ze reageerde op de vragen van mijn vrouw. Het was volkomen duidelijk wat er gezegd werd. Maar in het algemeen geldt dat je met een liniaal niet de wind kan meten. Zoals we God peilen met onze woorden en met onze manier van denken zitten we er altijd naast. Je kunt Hem alleen leren kennen als je je openstelt voor Hem. En daarvoor moet je leren je leven te zuiveren van materiële aankleefsels. Je wordt vegetariër, je rookt niet en drinkt niet meer, gokt niet, en debiteert geen gedachten als waarheden zonder tot op de bodem uitgezocht te hebben of ze wel kloppen. Als je je zo zuivert, en de vergiftiging des geestes naast je legt, word je een mens. Voordien ben je een versierd dier. Je paart, eet, weert je, slaapt. Activiteiten die je met een dier gemeen hebt. Alleen, je slaapt in een bed, iets wat een paard niet direct zal doen. Ons sausje van cultuur maakt ons nog geen echte mensen, die God mogen consulteren. Dat worden we pas wanneer we ons in liefdevolle ontvankelijkheid wijden aan de vraag in wat voor leven we zitten.''
Keizer: “Ik ga me wijden aan de vraag hoe we in elkaar zitten en stort mij op de studie van diergedrag. Is dat goed of niet?”
Van Teylingen: “Dan ben je bezig met empirie en blijf je horizontaal leven.”
Keizer: “Kun je van Darwin zeggen dat hij ons geholpen heeft wijzer te worden?”
Van Teylingen: “Geen spat.”
Keizer: “Darwin heeft ons op onze plaats gewezen.”
Van Teylingen: “Darwin heeft verwarring gezaaid. Uit wat ik over hem gehoord heb, meen ik te mogen opmaken dat hij de stof, de materie als bron ziet waaruit het bewustzijn zich ontwikkelt.”
Keizer: “Ik weet niet of hij zo zou praten. Darwin heeft niet de eerste dag van het boek Genesis herschreven. Wel de andere dagen. Hij mengt zich in het leven zodra er leven is. Je moet ergens beginnen, je kunt niet vooraan beginnen. Mens zijn is een tennisspel en niemand weet wie de bal in het spel heeft gebracht. Altijd treffen mensen elkaar mensend, tennissend aan. Sinds Darwin staan we met zwaardere benen op de aarde.”
Keizer: “U schrijft in De grote verschuiving van de aardas in 1998, dat ik als misdienaar de pest kreeg aan alles wat boven mijn empirische petje ging. Ik was geen zeikerig misdienaartje, ik ben nooit onheus betast in de sacristie, ik heb een warme katholieke jeugd gehad en er geen trauma's aan overgehouden. Hebt u slechte herinneringen aan uw godsdienstige jeugd?”
Van Teylingen: “Ja, dat kwam door mijn vader, dominee Van Teylingen uit wijk 8 in Amsterdam. Daar heb ik kille herinneringen aan. Terwijl ik in mijn omgeving dominees heb meegemaakt die me aantrokken en warmte gaven. Als zo'n dominee mijn vader was geweest, was ik er misschien een geworden. Ik ben nu een anderssoortige dominee, eentje van Oettar Pradesh. Daar wordt me een blik gegund in een dimensie vol poëzie, schoonheid, lieflijkheid en volkomen vrede. Abstracte termen, maar als ik concreter probeer te spreken, weigert mijn tong zijn dienst.
Dit is u uiteraard al weer te weinig empirisch. Net zoals 'de tunnel naar het licht' u te weinig tastbaar is. In Het refrein is Hein schrijft u over een patiënt: 'Nu had ik me al eerder niet helemaal gerust gevoeld, na een blik op zijn boekenplank, waar naast Ida Gerhardt en veel bellettrie van de laatste decennia ook een boek stond van ene Moody, over uittredingen tijdens narcose en bijna-doodervaringen met aan het einde van de donkere tunnel die engelachtige, wenkende figuur. Zo'n boekje vol halfzachte astrologisch getinte teksten en met illustraties van de doorgemaakte visioenen die sprekend lijken op katholieke bidprentjes uit de jaren vijftig'.
Schande! Want het is een keurig boekje, niet van ene Moody, maar van dr. Raymond A. Moody. Als iemand je niet aanstaat, ontneem je hem zijn titels en volledige naam. Er staat niet één bidprentje in het boek. Bovendien zijn die teksten niet halfzacht, het zijn heldere beschrijvingen van bijna-dood-ervaringen.''
Keizer: “Denk toch even na, Sinterklaas bestaat niet. Hoeveel lijken hebt u gezien?”
Van Teylingen: “Ik kan ze nog tellen.”
Keizer: “Wat dacht u dan?”
Van Teylingen: “Toen mijn vader in mijn armen stierf, was ik me ervan bewust dat de ziel uit zijn lichaam brak. Wat overbleef was een omhulsel. Toen mijn moeder gestorven was, ik beschrijf het in De grote verschuiving van de aardas in 1998, had ik geen behoefte om naar het ontzielde overschot te gaan kijken. Ik leg ook geen bloemen op het graf van de lege hulzen van de ziel van mijn ouders.”
Keizer: “Hoe denkt u over het lichaam?”
Van Teylingen: “Het lichaam is een ruimtepak voor de ziel die uit een niet-stoffelijk dimensie komt.”
Keizer: “U praat over de ziel als een mannetje in een mannetje. U vindt het niet erg wanneer iemand in twee zinnen kan aantonen dat het een onzinnig beeld is?”
Van Teylingen: “Hebt u anders wat aan het beeld van een chauffeur in een auto?”
Keizer: “Er zit niets in mijn lichaam. Behalve mijn lichaam.”
Van Teylingen: “U ontkent botweg het bestaan van de ziel.”
Keizer: “Natuurlijk niet, anders zat ik hier niet te praten. Maar te denken dat er iets is dat ná het lichaam doorgaat, snap ik niet. De middeleeuwers stelden zich de ziel voor als een mannetje in een mannetje. Je ziet op oude afbeeldingen van het doodsbed van Maria hoe alle apostelen rond de zieltogende Maria staan en boven hun hoofden zweeft dan een kindje hemelwaarts. Dat is de ziel van Maria. Het middeleeuwse concept van de ziel is een mannetje, een bloot kindje dat omhooggedragen werd.”
Van Teylingen: “Heel mooi. Dat is bijna mijn concept. Het mannetje in het ruimtepak is dezelfde als het zielendienaartje van de lieve Heer.”
Keizer: “Maar Hendrik, dit kan helemaal niet. Achter je ogen zit niets.”
Van Teylingen: “Hoe weet je dat? Van waar deze stellige mening?”
Keizer: “Aristoteles meende dat de ziel het lege vat was achter de gaten van onze ogen, waardoor de wereld zich naar binnen gooit.”
Van Teylingen: “Dat is niet mijn definitie van de ziel. Je hebt lichaam, geest en ziel. Waar u nu over praat is de geest.”
Keizer: “Goed, geest, je begrijpt dat is voor mij familie van elkaar. We zagen de geest als die lege holte omgeven door gaten waar de wereld naar binnen sijpelde. Je gooit een foto naar binnen en je ziet een heidelandschap. We weten tegenwoordig dat het niet zo is. Mensen die zich bezighouden met dingen die niet gelijk tot jouw soort verlichting leiden, zijn er dan toch maar achtergekomen dat zien iets is iets dat je leert. Diergedrag. De neuronale connecties, die geweven moeten worden om zien mogelijk te maken, zijn aanwezig tussen je nulde en je achtste. In die jaren kun je leren zien. Word je na je achtste voor het eerst blootgesteld aan visuele stimuli, licht dat de ogen binnenvalt, dan weet je daar achterin je kop geen wereld meer van te breien. Toen Jezus mensen leerde zien was dat dus nog een stuk ingewikkelder dan het al lijkt. Je moet geest en lichaam niet scheiden. Ik zie verdriet. Met mijn ogen.”
Van Teylingen: “Geest en lichaam doordringen elkaar volkomen.”
Keizer: “Dat ontken jij.”
Van Teylingen: “Ik zeg niet dat de geest losstaat van het lichaam, ik zeg dat de ziel losstaat. Jij hebt het beeld gegeven van een mannetje in een mannetje. Ik stel hier een Vedisch beeld naast. Stel je een wagen voor. Deze wagen wordt getrokken door de vijf paarden van de zintuigen.”
Keizer: “Dat is Plato, deugniet.”
Van Teylingen: “Kan best, dan heeft Plato het van Vedische geschriften.”
Keizer: “Dit sta ik niet toe. Dan moet Plato gejat hebben bij de Veda's?”
Van Teylingen: “Er blijft een afweer tegenover de Oost. Besef wel dat Jezus uit de Oost kwam en Plato ook.
Je hebt de vijf paarden van de zintuigen, die lopen voor de kar van het lichaam. Op de bok zit de koetsier van het verstand, het verstand is een materiële entiteit. Dat verstand houdt via de teugels van de geest de paarden al dan niet in toom. Als die paarden onstuimig zijn en het verstand zwak, dan zwabbert de geest met de paarden mee. Bijvoorbeeld de geest van een dronkaard. In de wagen zit de passagier van de ziel. Die wagen en alles erom heen staat hem ten dienste. De ziel staat apart: als passagier kan ze in- en uitstappen.
Een voorbeeld. Toen een liesbreuk bij mij geopereerd moest worden, bedacht ik mij dat dat een mooie oefening zou zijn in het sterven. Ik wilde ervaren dat de ziel van het lichaam losstaat. Ik vroeg of ze me plaatselijk konden verdoven, zodat ik bij bewustzijn bleef en aan Krishna kon denken. Het kan je namelijk voorgoed verlossen wanneer je bewustzijn vervuld is van God als de ziel het lichaam verlaat. Ik lag daar tussen alleen maar vrouwelijke medici, met wijd gespreide benen en met mijn geslachtsdeel open en bloot en stijf van de narcose. Terwijl de dames in mij stonden te snijden en ik lag te klappertanden van de kou, verkondigde ik standvastig de boodschap van de Bhagavad-gita. Tot zover was mijn experiment geslaagd. Na de ingreep wilde ik geen pil tegen de na-pijn, om de ziel over het lichaam te laten zegevieren. Vanuit mijn heldere bewustzijn dacht ik: dat zal wel meevallen. Helaas. Ik heb ontzettende pijn gehad en de zaal de hele nacht wakker gehouden doordat ik constant mijn mantra lag uit te mekkeren.''
Keizer: “Lastig ruimtepak. We zijn filosoof zolang we geen kiespijn hebben.”
Van Teylingen: “Wanneer je vergevorderd bent, doet kiespijn je niets meer. Dan ben je een passagier die zonder schade uit een racende auto kan stappen.”
Keizer: “Je spreekt in metaforen. Maar als iemand zegt: 'het leven is een pijp kaneel, ieder zuigt maar krijgt niet veel', vraag je toch ook niet waar de pijp kaneel is? De kracht van de metafoor is een flits van inzicht, nooit een inhoudelijke beschrijving van wat er gaande is.”
Van Teylingen: “Woorden verwijzen ergens naar, zoals een plattegrond verwijst. De woorden staan in dienst van het verstand en zijn derhalve ontoereikend om precies te beschrijven wat het verstand overstijgt.”
Keizer: “Dat is weer een gevaarlijk zinnetje, Hendrik. Woorden zijn alles wat we hebben. Er zijn geen andere roeispanen.”
Van Teylingen: “De ziel heeft haar eigen roeispanen. Een ziel die buiten haar lichaam is, kan alle denkbare en ondenkbare zintuigelijke functies vervullen. Ze kan ruiken met zielenogen, luisteren met zielenvingers en ze spreekt haar eigen zielentaal.”
Keizer: “Gooi het dan maar in mijn pet. Dit vind ik niet eerlijk, ik struikel hier de hele tijd over. Je doet dingen met woorden waarvan ik denk dat het niet goed is. Je bent een schilder die zegt: zonder verf gaat het veel beter. Je kunt niet zeggen dat je kunt ruiken met je ogen.”
Van Teylingen: “Dat begrijp ik van je. Daar houdt het ook op. Daar is het jouw woord tegenover mijn getuigenis. Als je zulke ervaringen niet hebt, vind je dit mateloos irritant. Vanuit de menselijke wereld klinkt het absurd, daarvan ben ik me bewust. Toch voel ik me niet wereldvreemd. Ik ga met huid en haar door deze wereld heen. Ik ben hier student geweest, heb vriendinnen gehad, echtgenotes, kinderen, ik ben er door en door bij betrokken geweest. Maar ik groei hier uit, naar iets waar het heel anders is. En ik kan daarvan alleen maar getuigen. Zoals mystici getuigen.”
Waneer ik op mijn sterfbed lig (Als ik op bed verscheiden moet). Het uitgil als een slachthuisbig En hoest en proest van 't roetsjend bloed.
Raak dan niet in de war alsof Er iets verschrikkelijks geschiedt Maar zie 't juist als een dikke bof Dat ik het tranendal ontvlied.
Negeer het rare sterflawaai, Het zwaar gehik en gaar gekrijs, Galm allemaal een psalm voor mij En vort ben ik naar het paradijs.
Uit: Hendrik van Teylingen: Bij de gratie van de dichtspier (verschijnt februari 1997)
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.