De Verenigde Naties besloten onlangs dat rassen bij de mens niet bestaan. Vanuit christelijk standpunt bezien is dit een zuiver besluit. Zo heb ik het geleerd: voor God zijn alle mensen gelijk. Mijn favoriete gezangenboek heette 'Kinderen Van Een Vader', met op de omslag een kring kindertjes, duidelijk uit alle windstreken, die blij elkaars handjes vasthielden.
Pas later ontdekte ik, al kranten lezend, dat er zoiets als racisme bestond. Tot m'n stomme kinderverbazing, want hoe durft een mens, door God geschapen en in alles van God afhankelijk, zo over een ander schepsel Gods te oordelen? Toen was ik nog echt 'in Jezus'.
Nog steeds vind ik racisme een uitvinding van onwetendheid en zelfoverschatting, te belachelijk eigenlijk voor woorden. Maar het zijn drukke dagen voor de meninghebbers. Er gebeurt ineens van alles om je over op te winden: internationale anti-racisme-week, een racistische partij voor de rechter gesleept, terwijl een van racisme afgeleid onderwerp de rest van de partijen nerveus houdt.
Het woord 'racisme' zou ik echter graag ingeruild zien voor 'egoculturisme', geïntroduceerd door een Volkskrantlezer vorige week. Want kleur vormt meestal niet het echte probleem, maar het idee dat andermans cultuur bedreigend is. Veel blanken vinden bruin juist mooi, wacht maar tot het strandseizoen weer begint. Een leuk voorstel deed kunstenares Ans Wortel - die van diverse bruine mannen kinderen heeft - twintig jaar geleden al in een interview: “Als alle blanken voortaan met donkere mensen trouwen dan krijgen we op den duur één mooi mokkakleurig ras”. Dan zou racisme opgelost zijn. Echter niet wat daaraan ten grondslag ligt, het egoculturisme.
De meeste mensen leren hun eigen cultuur in te schatten als de hoogste tree van de beschavingsladder, of als van God gegeven. Een enkeling leert ook nog wat cultuurrelativisme. Het is mooi als je op reis kunt gaan en die andere culturen vrijwillig bewonderen. En persoonlijk vind ik het heerlijk om op de markt te zwerven, en steeds nieuwe uitheemse produkten te proeven. Maar ik walg van mijn overbuurman, die uit een type cultuur komt die hem leerde dat hij een vrouw met mijn uiterlijk lastig mag vallen. Bijna dagelijks achtervolgt hij me, is handtastelijk, sist in m'n nek, hangt uren uit z'n raam te schreeuwen. In die mate dat de politie geregeld langs moet komen. Ik voel me vaak bedreigd. Niet uit vooroordeel, maar uit ervaringsoordeel. Ik ben al eens in elkaar geslagen toen ik boos werd over zulke avances.
De verstikkende normen aangaande vrouwen in de jaren vijftig heb ik overleefd, plus de weerstand die de emancipatie meebracht, en iets wat veel mannen niet beseffen: het knijpen, naroepen en schunnige dingen fluisteren dat elk meisje - ongeacht of ze mooi of lelijk is - al opgroeiend mee moet maken. Eindelijk waren de Nederlandse mannen een beetje opgevoed wat dat betreft. Maar met de import van vrouwenonderdrukkende culturen krijgen we het weer van voren af aan.
'We' zijn natuurlijk niet de hooggeplaatsten en politici, of onderzoeker Van Donselaar. Die zegt dat zestig procent van de allochtonen zich bedreigd voelt. Waarom die eenzijdigheid? Waarom daarnaast geen cijfers over onze angst? Ben ik nu een stemmingmaker, een racist, meneer Van Donselaar? Een andere buitenlandse buurman, een heel aardige, die hier al vijftien jaar woont, zegt: “Sorry, maar de meesten van ons vinden jullie een decadent volk, waarvan je mag pakken wat je pakken kunt”.
Als ik dus allochtone jongeren op de televisie in optocht zie scanderen: 'Racisme, fascisme, néééé' word ik bang, want er klopt iets niet. Mag er alsjeblieft een open, tweezijdig debat komen over egoculturisme? Waar ervaringen als de mijne ook tellen? Op de goed bedoelde kreet van Wim Kok: “Asielzoekers moeten zich kunnen vestigen waar zij willen” wil ik zeggen: een Nederlander kan zich alleen vestigen waar hij wil, als hij voldoende geld heeft. Ik ben niet gevestigd waar ik wil. Hier woon je omdat 't goedkoop is, omdat je jaren op een lijst moet staan om iets te krijgen wat een fractie beter is.
Meneer Kok, ik wil me graag vestigen in een hutje op de hei, zonder overbuurman. Een vrijstaand huis aan het strand is ook goed. Dank u wel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.