Van onze verslaggevers AMSTERDAM - De drie grootste banken in Zwitserland hebben samen 100 miljoen Zwitserse frank (130 miljoen gulden) gestort in een fonds voor slachtoffers van de Jodenvervolging in de tweede wereldoorlog.
De stap is bedoeld om de internationale kritiek op Zwitserland weg te nemen vanwege 's lands omstreden rol tijdens de tweede wereldoorlog als 'bankier van Hitler' en ten aanzien van de na-oorlose behandeling van de 'vermiste' Joodse tegoeden.
Joodse leiders verwelkomden gisteren het besluit van de Zwitserse banken als “een belangrijke stap in de goede richting”.
De banken, Crédit Suisse, de Schweizerische Bankverein en de Schweizerische Bankgesellschaft, zeiden te hopen dat hun initiatief zal bijdragen tot “een constructieve oplossing” voor de kwestie van de Joodse tegoeden die op rekeningen in Zwitserland zijn ondergebracht. Zij stellen dat het anderen, zoals de regering en de nationale bank, vrij staat aan het fonds deel te nemen. Het is nu aan de regering om de precieze omvang en het doel van het fonds vast te stellen, zeggen zij in hun verklaring.
Het fonds staat in principe los van de gelden van slapende rekeningen die nog boven water gehaald moeten worden. De banken benadrukken dan ook dat de pogingen om niet geclaimde bezittingen van holocaust-slachtoffers in kaart te brengen door het initiatief onaangetast blijven. Een commissie onder leiding van de oud-voorzitter van het Amerikaanse systeem van centrale banken, Paul Volcker, was al eerder aangewezen om in Zwitserland het onderzoek naar de rekeningen leiden.
Het afgelopen anderhalf jaar hebben belangenorganisaties van slachtoffers van de nazi-vervolging pogingen in het werk gesteld informatie te krijgen over de tegoeden die voor en in de tweede wereldoorlog op rekeningen in Zwitserland zijn gestort. Daarbij is de beschuldiging geuit dat Zwitserse banken in totaal zo'n twaalf miljard gulden aan niet opgevraagde tegoeden zouden bezitten.
Minister Zalm van financiën heeft besloten een commissie in het leven te roepen die de Nederlandse belangen in de gaten moet houden bij de eventuele verdeling van door de nazi's in de tweede wereldoorlog geroofd goud. Voorzitter van die commissie wordt de commissaris van de koningin in Noord-Holland, oud-minister van onderwijs Van Kemenade. Ook zal directeur Blom van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie in de commissie zitting nemen. Verder wordt gezocht naar specialisten in internationaal recht en fiscale deskundigen. Het goud, voorraden uit de Nederlandsche Bank die de nazi's naar Duitsland transporteerden en goud van Nederlandse Joden, zou nog bewaard worden in Zwitserse banken. De commissie-Van Kemenade moet bekijken in hoeverre Nederland of in Nederland wonende leden van de Joodse gemeenschap nog recht kunnen doen gelden op rekeningen in Zwitserland.
Frankrijk heeft eveneens een commissie in het leven geroepen. Die moet nagaan wat er is gebeurd met de door de nazi's in beslag genomen bezittingen van de Joden. Aan het hoofd van de commissie staat Jean Matteoli, een voormalig verzetsstrijder en tegenwoordig hoofd van de prestigieuze Sociaal-economische raad. De commissie heeft tot taak de omvang van de door de nazi's gevorderde en geplunderde bezittingen te bepalen.
De kwestie van de Joodse bezittingen heeft inmiddels ook Italië ertoe gebracht een commissie in te stellen, maar met een iets gedefinieerder taak. Zij moet uitzoeken van wie het goud, de sieraden en andere door de nazi's gestolen kostbaarheden zijn, die in vijf kratten in kluizen van het ministerie van financiën zijn aangetroffen. De inhoud van de kratten is afkomstig van Joden die zijn omgekomen in het nazi-concentratiekamp Risiera di San Sabbia bij Triëst, of die vandaar zijn afgevoerd naar andere Duitse vernietigingskampen elders in Europa.
Volgens dagblad La Repubblica zijn de vijf kratten in 1945 meegenomen naar het Oostenrijkse Klagenfurt door het Duitse leger, dat zich uit Italië terugtrok voor de aanstormende geallieerden. De gestolen zaken, waaronder gouden vullingen, zouden in de jaren vijftig weer naar Triëst zijn gebracht, waar zij in een filiaal van het ministerie van financiën belandden.
Aangenomen wordt dat de goederen sinds 1962 in kluizen van het ministerie in Rome staan. Een klein deel ervan zou zijn teruggegeven aan erfgenamen van om het leven gebrachte Joden. Maar de autoriteiten zijn daarmee gestopt omdat volgens hen mensen die claims indienden niet konden bewijzen dat zij recht hadden op de kostbaarheden. De onderzoekscommissie die nu is ingesteld, heeft twee maanden de tijd gekregen om uit te zoeken of er nabestaanden zijn die recht hebben op de spullen uit de kratten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.