*

 
dossier

Archief

STARTKWALIFICATIE Erkende vakmensen gezocht

MARJAN AGERBEEK − 16/02/94, 00:00

Hoog in het vaandel van de overheid staat de doelstelling 'een startkwalificatie voor iedereen'. De twee tot drie miljoen mensen die niet beschikken over een diploma op minimaal niveau primair leerlingwezen, moeten worden bijgeschoold. Zodat ze als 'aankomend vakman of -vrouw' startklaar zijn voor de arbeidsmarkt en daar zelfstandig verder kunnen komen. Maar hoe moet dat worden gerealiseerd?

Het plan is te ambitieus, heeft ook het ministerie van onderwijs onlangs op indirecte wijze toegegeven. De minister heeft het opleidingsniveau dat startkwalificatie mag heten, aangepast. Twee jaar middelbaar beroepsonderwijs, eindniveau havo of VWO, wordt gelijkgesteld aan primair leerlingwezen of kort middelbaar beroepsonderwijs. Dus iemand met havo of VWO is voortaan ook 'aankomend vakman'. Op de arbeidsmarkt is dit gegeven nog niet doorgedrongen, zo blijkt. Het percentage werkzoekenden in deze groep is het op een na hoogste.

De versoepeling van de norm is wel te verklaren. Een startkwalificatie voor iedereen is nauwelijks te realiseren, alleen al door de enorme aantallen betrokkenen. Zo'n 1,5 tot 2 miljoen werkenden zouden in de schoolbanken moeten. Daarbij komen nog 100.000 tot 150.000 werklozen en - op jaarbasis - zo'n 100.000 schoolverlaters, meldt de discussienota 'Startkwalificaties voor iedereen, hoe bereik je dat? ', een gezamenlijke uitgave van het Instituut voor leerplanontwikkeling (SLO) en het Centrum innovatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (CIBB).

In de onderwijsbegroting 1994 heeft minister Ritzen de bekostiging van 20.000 extra plaatsen in het primair leerlingwezen beloofd. Een groei van 25 procent, maar slechts een procent van wat er nodig is. Onderwijs is duur, niet voor niets heeft de overheid afgezien van een 'recht' op een startkwalificatie voor mensen ouder dan 27 jaar. De financiele gevolgen daarvan zijn enorm.

Er zijn ook inhoudelijk bezwaren tegen de strikte eis dat elke Nederlander minstens een opleiding op niveau primair leerlingwezen moet bezitten. Het ontbreken van een passend diploma hoeft immers niet te betekenen dat een werknemer onder het niveau 'aankomend vakman' functioneert. Al doende leert men. Ook zijn er mensen die zelfs met enorme inspanning het niveau primair leerlingwezen niet kunnen halen. Geschat wordt dat dit zo'n 15 procent van de deelnemers in de eerste fase van het voortgezet onderwijs betreft. Voor hen wil Ritzen een 'assistentniveau' inrichten, opnieuw een concessie.

Dan is er nog het probleem dat de niveaus van de opleidingen in het primair leerlingwezen erg van elkaar verschillen. Hebben dan toch alle diploma's het startkwalificatie-niveau? Daarbij verschilt de noodzaak van een opleiding per branche. Voor winkelpersoneel is er leerlingwezen, maar ongeschoolden komen in deze beroepsgroep even goed aan de bak.

Desondanks houdt de overheid vast aan het streven naar startkwalificaties, vanuit economisch en maatschappelijk oogpunt. Resultaten zijn er echter nog maar weinig. Met het bedrijfsleven zijn wel afspraken gemaakt over de scholing van werkenden, maar die zijn niet verstrekkend. Bedrijven zijn graag baas in eigen huis. Als een werknemer op school zit, werkt hij niet. En een opleiding moet worden betaald.

Voor werkloze volwassenen is de situatie al niet veel beter. De Centra vakopleiding volwassenen en de Centra beroepsorientatie en beroepsoefening verzorgen beroepsgerichte-, orientatie- en schakelcursussen, maar die blijven onder het startkwalificatieniveau. De aansluiting op de reguliere opleidingen laat bovendien te wensen over, de doorstroming is klein.

De plannen voor schoolverlaters zijn het meest uitgewerkt. De overheid heeft op deze groep de meeste grip, al was het alleen maar door de Leerplichtwet. Zo wordt het beroepsonderwijs gemodulariseerd. De leerstof moet in stukken gehakt en kan dan worden gestapeld. Hoe meer modulen een leerling gevolgd heeft, hoe hoger het diploma. Een eventuele weg naar 'beneden' zou zo zonder tijdverlies verlopen. Een leerling neemt genoegen met een diploma op een lager niveau en doet minder modulen dan hij of zij zich had voorgenomen. Daardoor wordt het risico op ongediplomeerd schoolverlaten kleiner.

Voortijdige, dus ongediplomeerde schoolverlaters, moeten echter eerst naar school worden gehaald voordat ze van een leerlingvriendelijk modulensysteem kunnen profiteren. En dat is niet eenvoudig. De redenen om de pijp aan Maarten te geven zijn divers. Sommigen hebben zich laten verleiden door de arbeidsmarkt, anderen zijn afgeknapt op school, bij voorbeeld vanwege te eenzijdig theoretisch onderwijs.

Deze schoolverlaters zullen voortdurend, ook als ze aan een opleiding beginnen, de winst- en verliesrekening opmaken en gemakkelijk opnieuw uitvallen. Waarom zou je naar school gaan als je toch geen werk hebt of kunt vinden? Pas als de schoolverlaters een jaar of achttien zijn en niet meer onder de leerplicht vallen, wordt onderwijs een keus.

In 'Startkwalificaties voor iedereen, maar hoe bereik je dat', zoeken P. van de Born van het CIBB en T. Eimers van het onderzoeksbureau ITS oplossingen in regionale samenwerking, aansluitend op de vorming van regionale onderwijscentra (ROC). De scholingsinstituten moeten voor een waterdicht systeem zorgen, vanaf school- en beroepskeuze tot startkwalificatie. Ook het idee om het onderscheid tussen leerlingwezen en middelbaar beroepsonderwijs te laten vallen en tot een opleidingsmodel te komen, wat minister Ritzen heeft vastgelegd in het voorstel voor een Wet educatie en beroepsonderwijs, stimuleert samenwerking. Overigens voelen de betrokken partijen daar nog niet altijd veel voor. Leerlingenwezen en kort middelbaar beroepsonderwijs zijn elkaars concurrenten.

Leerlingen met een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, de belangrijkste doelgroep voor het leerlingwezen, proberen steeds vaker een MBO-opleiding. Volgens voorlopige cijfers van het ministerie van onderwijs zitten er dit studiejaar 18.000 meer leerlingen in het MBO dan verwacht. Vooral het kort middelbaar beroepsonderwijs is gegroeid, ten koste van het leerlingwezen. Het Research centrum voor onderwijs en arbeidsmarkt (ROA) voorspelt voor 1997 een tekort aan leerlingen van 25 procent, vergeleken met 1992.

Dat komt deels doordat er onvoldoende banen zijn. Maar ook omdat het (kort) middelbaar beroepsonderwijs, in tegenstelling tot het leerlingwezen, studiefinanciering verschaft. Daarbij is de status van het leerlingwezen laag. Wie hogerop wil probeert eerst een opleiding in het veel theoretischer (kort) middelbaar beroepsonderwijs. Voor velen is dat te hoog gegrepen. Ze komen alsnog, gedesillusioneerd, de streekschool in, waar de lessen van het leerlingwezen worden gegeven.

Het leerlingwezen heeft grote moeite deze leerlingen binnenboord te houden. Uit een onlangs verschenen rapport van het ROA blijkt dat het rendement van de elektrotechnische opleidingen slechts 38 procent bedraagt. De grafische opleidingen doen het 't best met 68 procent.

Een van de oorzaken van de magere rendementen is dat scholen en docenten het onderwijs onvoldoende afstemmen op het gedaalde gemiddelde niveau van de leerling. De lesmethoden laten te wensen over. De gebruikte boeken zijn vaak voor het MBO bedoeld en te ver van de praktijk verwijderd. Uitgevers zien nu eenmaal niets in aparte methoden voor geringe aantallen leerlingen.

Volgens Van den Born van het CIBB werken de docenten bovendien te leerstof gericht, net zoals vroeger toen hun klassen nog vooral door werkende LBO'ers met een diploma op C- of D-niveau werden bevolkt. “De niveaus van de leerlingen liggen nu ver uit elkaar, dus je moet eigenlijk differentieren. Vanoudsher is het beroepsonderwijs echter klassikaal ingericht. Dat verandert langzaam.”

Ook is er in de scholen geen cultuur van bijscholing. “Er worden wel cursussen gevolgd door docenten, maar geen didactische. Inhoudelijke curussen, bijvoorbeeld voor computers, worden wel gedaan. Maar workshops zelfstandig leren zijn niet in trek. Alhoewel bij een aantal streekscholen daar wel belangstelling voor komt.”

De meest bepalende factor in de uitval is echter de belabberde arbeidsmarkt. Leerlingen die worden ontslagen, geven de brui aan de opleiding. Ook voor leerlingen die op het werk slecht worden begeleid, of niet de gelegenheid krijgen hun opdrachten te maken, is het moeilijk de opleiding vol te houden.

Een flink aantal werklozen doet werkervaring op met een onbetaalde stage. Die directe confrontatie met een slecht toekomstperspectief is een reden om af te haken. Van den Born: “Arbeidsbureaus zouden zich specifiek moeten richten op het zoeken leer-arbeidsplaatsen.”

Gebrek aan arbeidsmarktperspectieven blijkt overigens ook de uitval in het kort middelbaar beroepsonderwijs te veroorzaken. Dualisering - waarbij werkend leren onderdeel van de opleiding wordt - van het KMBO, zoals Ritzen voorstelt in de Wet educatie en beroepsonderwijs, zal dat niet veranderen omdat er nu eenmaal weinig banen zijn. Het voorstel van de commissie-Van Veen, om veel minder rigoureus het beroepsonderwijs te dualiseren dan de commissie-Rauwenhoff enkele jaren geleden heeft voorgesteld, heeft grotendeels pragmatische gronden.

Ondanks alle praktische problemen vindt Van den Born het streven naar een startkwalificatie voor iedereen een goede zaak. “Wat me zorgen baart is het ontbrekende financiele deel van het verhaal. Stel dat het lukt om meer mensen naar het leerlingwezen en KMBO te krijgen. Dat gaat de overheid veel geld kosten. Waar wordt dan op bezuinigd? ”

mailIcon print |