*

 
dossier

Archief

London Calling 1997 levert een massieve muur van gierende gitaarklanken op

SASKIA BOSCH − 20/01/97, 00:00

AMSTERDAM - Naar verse Britpop-sensaties zocht het publiek vrijdag en zaterdag tevergeefs op het London Calling-festival dat voor de negende maal in Paradiso werd georganiseerd. Niks nieuwe Pulp of Blur. Deze aflevering was nadrukkelijk breder geprogrammeerd dan voorgaande keren.

Met retro-rock, noise-pop, dance, triphop en folk op het programma was het aanbod ongekend gevarieerd. De enige rode draad die daarbij viel te ontdekken, was dat de melodieuze popsongs van de Britpoppers, geënt op de Engelse pop uit de jaren zestig en zeventig, door de nieuwe lichting was ingeruild voor een flinke dosis gitaargeweld.

Of het nu de oorverdovende noise-pop van openingsact Sterling betrof, de poppy liedjes van Octopus of de Weezer-achtige punkpop van Silversun, allen trokken een bijna massieve muur van gierende gitaarklanken op.

Het lekkerste hapje voor de gitaarliefhebbers was ongetwijfeld het kwartet van Mansun. In het programma aangeprezen als dè sensatie van 1997, stelde de band niet teleur. In Engeland heeft zij de eerste hits al binnen, in Nederland is ze nog volslagen onbekend. Maar aan de enthousiaste respons van het publiek te merken, zal dat niet lang meer duren.

De Mansun-sound had het meeste weg van stevige Britpop die op sleeptouw werd genomen door een partij op hol geslagen gitaren. De songs klonken snel, fel en pakkend en dankzij de energieke live-vertolking slaagde Mansun als een van de weinige deelnemers erin het publiek massaal in beweging te krijgen.

Voor herhaling vatbaar was ook de kennismaking met Kenickie. Hoewel ze amper ouder zijn dan twintig jaar, presenteerden de meiden van Kenickie zich met veel bravoure. Zij tracteerden de bezoekers op een stortvloed aan melige grappen, maffe koortjes en rinkelende gitaarakkoorden. Ondertussen deed hun eigenzinnige mix van gitaarpop, punkrock en new wave terugdenken aan de vrolijke new wave van Blondie.

Makkelijk in het gehoor lag ook de retrorock van These Animal Men. De jaren zestig bloempot-kapsels van de bandleden gaven aan uit welke periode zij hun muzikale inspiratie putten. Maar door het volle groepsgeluid, dat extra body kreeg dank zij de uitstekende toetsenist, de catchy melodieën en de enorme vaart die de groep erin hield, werd het gebrek aan muzikale oorspronkelijkheid van ondergeschikt belang.

Als onbetwist buitenbeentje fungeerde Beth Orton. De singer/songwriter was een van de weinige acts van het matig bezochte festival die op voorhand al enige bekendheid genoot. Haar debuut-cd 'Trailer Park' werd recentelijk goed ontvangen en ook in Paradiso bewees ze potentie te hebben. Haar zang deed bij de folk-achtige nummers wel erg aan Suzanne Vega denken en bij haar uitstapje richting triphop was de geest van Everything But The Girl steeds aanwezig. Maar op de momenten dat de stemmige strijkers zich wonderwel vermengden met haar dromerige vocalen en de pulserende triphop-ritmes, ontstond er ruimtelijke en sfeervolle sound, die verried dat Orton wel degelijk over een interessante muzikale visie beschikt.

Over de vraag hoe representatief het evenement is voor de ontwikkelingen in de Engelse popmuziek valt te discussiëren. Duidelijk werd wel dat London Calling 1997 van een Britpop- in een Brits popfestival is veranderd.

mailIcon print |