INZELL - Op de Europese kampioenschappen in Heerenveen registreerden Eskil Ervik, Lasse Saetre en Remi Hereide in totaal vier persoonlijke records. Een mooie score, maar volstrekt onvoldoende om de vrije val van het Noorse schaatsen ook maar enigzins te stuiten. Integendeel, zo slecht als twee weken geleden had het Scandinavische schaatsland zich deze, bijna afgelopen eeuw nog niet op een internationaal allroundtoernooi gepresenteerd.
Het is volstrekt ondenkbaar dat het op de WK in Inzell anders zal zijn. Petter Andersen (22), die er in Thialf niet bij was, geldt als één van de grootste talenten van zijn generatie, maar in Zuid-Duitsland is er voor hem, Hereide en Saetre niet meer dan een marginaal bijrolletje weggelegd. Met het afscheid van drievoudig Olympisch kampioen Johann Olav Koss in 1994 lijkt het schaatsen in Noorwegen van de kaart te zijn verdwenen. Van de drie overgebleven toppers koos Söndral met het oog op de WK afstanden in eigen land voor specialisatie en revalideren stayer Storelid en de enige echte allrounder Johansen van respectievelijk een vervelende maag-darmziekte en een zwaar verkeersongeval. Bondscoach Svein-Havard Sletten (39) hoopt dat Storelid deze winter nog aan schaatsen toekomt en zal zich een gelukkig mens voelen wanneer Johansen volgend seizoen alweer tot het leveren van topprestaties in staat is. Eergisteren werd, niet voor het eerst sinds hij tijdens een fietstraining tegen een vrachtauto opreed, bottransplantatie in de hand en de onderarm toegepast. “Ik hoop dat het de laatste operatie is en dat hij in mei weer aan de training kan beginnen”, zegt Sletten. “Als hij gemotiveerd is om een come-back te vieren, zou het mij niet verbazen dat hij sterker dan ooit terugkeert.”
Vaststellen dat Sletten geen benijdenswaardige positie bekleedt, is een understatement. De gymnastiekleraar was op de achtergrond altijd een winnaar. Hij spoorde Koss, toen die acht was, aan te gaan schaatsen en heeft minstens zoveel bijgedragen aan de successen die de arts in spe vergaarde dan bondscoach Hans-Trygve Kristiansen. Sletten was trainer van SK'94, de door Koss zelf opgerichte, en door zijn moeder voorgezeten skoyteklub. De vereniging is inmiddels ter ziele, nu één van de twee leden - Storelid was de andere contribuant - met schaatsen is gestopt. Het was een privéploeg dus, maar anders opgezet dan het 'fabrieksteam' rond Rintje Ritsma. “Die vergelijking gaat mank”, stelt Sletten. “Ik werkte nauw samen met Kristiansen. Ik ondersteunde hem twee tot drie keer per week bij de training. Die uren werden door Johann en Kjell betaald. Kristiansen en ik vulden elkaar perfect aan. Toen Johann vlak voor de Winterspelen van 1994 geestelijk volledig uitgeput was en de elementaire basistechnieken van het schaatsen niet meer leek te beheersen, heb ik in stilte aan het terugwinnen van het zelfvertrouwen gewerkt. Dat ging in goede harmonie met de bondscoach. Ik was zijn verlengstuk. Zo gaat dat in zijn algemeenheid met Noorse schaatsers. Zodra ze niet in het nationale team zijn opgesteld dan keren ze terug naar hun club om daar te trainen. In mijn relatie tot Hans-Trygve kwamen de begrippen concurrentie- en competentiestrijd niet voor. Wij waren vrienden; dat kun je, geloof ik, van Wopke de Vegt en Henk Gemser niet zeggen.”
Motivatiegebrek Sletten was dan ook de logische opvolger van Kristiansen, toen die zijn terrein middels een technische functie bij het Noorse Olympische comité verbreedde. De nieuwe bondscoach hoopte dat Koss nog een jaartje door zou gaan. Toen de Unicef-ambassadeur door motivatiegebrek afhaakte, gokte Sletten erop dat Storelid en Johansen de brug naar een nieuwe generatie zouden slaan. Nu die twee lange tijd zijn uitgeschakeld, blijkt dat onder de smalle top een onpeilbaar diep zwart gat gaapt. Dat is een pijnlijke ervaring voor Sletten, die zich deze dagen voornamelijk 'chef lege dozen' voelt. “Maar het Noorse schaatsen is niet dood”, verklaart hij. “De jongens die dit weekeinde rijden, zijn niet slecht. Ze gaan iedere wedstrijd vooruit, maar zijn nu in de positie gedwongen dat ze meteen prestaties moeten neerzetten. Normaal gesproken zouden ze achter Storelid en Johansen om de derde plaats duelleren. Ik moet constateren dat we tussen 1988 en 1994 met Koss, Karlstad, Johansen en Söndral een hele goede lichting hadden, maar dat er te weinig aandacht aan het kweken van een nieuwe generatie is besteed. Nu ze allen zijn weggevallen, zie je hoe groot het gat is. De eerste talenten vind je in de leeftijdscategorie 10 tot 14 jaar. Tussen die groep en de toppers zaten wel talenten, maar die zijn andere sporten gaan doen.”
Het is vreemd dat Koss geen grotere uitstraling op de jeugd heeft gehad. “Johann was en is immens populair en heeft veel kinderen tot sporten aangezet”, weerlegt Sletten die stelling, “maar in het Noorse schaatsen ontbrak de verbindende schakel. Er was geen sprake van kruisbestuiving. Wanneer een Noorse topschaatser stopt, zie je hem nooit meer terug op de ijsbaan. Terwijl zij een morele verantwoordelijkheid hebben om kinderen het enthousiasme voor hun sport bij te brengen. Het hoeft geen levenstaak te zijn; een clinic van een uur en dat acht keer in de winter is al genoeg om de jeugd te binden. Dan groeit het vanzelf. Koss is sterker geworden doordat hij zich aan Karlstad kon optrekken, Karlstad werd mede een topper omdat Falk-Larsen hem op sleeptouw nam. En niet toevallig werd Storelid lid van SK'94 om in Koss een leermeester te hebben. Na het afscheid van Koss, de keus van Söndral voor de 1500 meter en de blessures van Storelid en Johansen raakten we niet een heel, maar in feite anderhalf nationaal team kwijt. We missen de ervaring om een nieuwe generatie op te bouwen.”
Met de toppers verdwenen ook tal van clubs. In bepaalde regio's waar het schaatsen traditioneel sterk ontwikkeld was, woekerde het rottingsproces angstaanjagend snel voort. “Trondheim is zo dood als een pier”, geeft Sletten als tragisch voorbeeld. Andere trainingscentra vertonen weer voorzichtig enige tekenen van leven. In Hamar heeft de vader van de beloftevolle Ervik, zelf oud-schaatser, vol goede moed de spa in de braak liggende grond gezet. Sletten noemt zo nog een paar namen, maar de enige vertrouwde die zich daadwerkelijk om de toekomst van hun sport bekommeren zijn Björn Nyland en Tom Oxholm. Een bijkomend negatief facet is dat Vikingskipet in Hamar nauwelijks voor wedstrijd- en trainingsdoeleinden beschikbaar wordt gesteld. Door de overstroming van het Mjösameer raakte de machinekamer onklaar. Tot half december kon er om die reden geen ijs worden gemaakt. Toen de reparaties eenmaal waren uitgevoerd, kreeg de indoor-voetbalcompetitie voorrang. Pas op 7 maart, een kleine week voor de WK afstanden, opent de Olympische hal de poorten weer voor het schaatsen. “We moeten ons behelpen door de ijstraining op Valle Hovin (een open kunstijsbaan in Oslo - red) te houden. Daarnaast kunnen we een enkele keer op trainingskamp. Het ideaalbeeld is een Vikingskipet waar je in het seizoen een half jaar lang en in juli twee weken terecht kunt. Dat is voor ons echter onbetaalbaar.”
“Maar we komen terug”, belooft Sletten nogmaals. “Structureel zit de Noorse schaatsbond goed in elkaar. De hoofdsponsor gaat in ieder geval door tot en met de Olympische Winterspelen van 1998. De bond heeft een man in dienst genomen om het schaatsen onder de jeugd te stimuleren. Alleen voor de schaatsers is de financiële positie sterk verslechterd. Onze NOC heeft de sponsoring van Storelid en Johansen stopgezet omdat ze niet meer presteren. Ze zijn aangewezen op een kleine toelage van de bond.”
Sportstimulering onder de jeugd is de eigenlijke stiel van gymnastiekleraar Sletten. In het begin van de jaren tachtig telde hij op zijn schaatsschool in Strömmen, de geboorteplaats van Koss, tweehonderd leerlingen. Waaronder de latere vedette zelf. Back to basics? Sletten aarzelt nog. Zijn contract loopt aan het eind van dit seizoen af. De opbouw van het schaatsen ziet hij als een mooie uitdaging. “We moeten helemaal onderaan beginnen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.