*

 
dossier

Archief

Joodse wetenschapper op vrijzinnig-protestantse leerstoel

COKKY VAN LIMPT − 11/01/96, 00:00

AMSTERDAM - Dr. Judith Frishman (42) ziet er de humor wel van in dat juist zíj - met haar joodse achtergrond - in Leiden tot bijzonder hoogleraar is benoemd door het 'Haagsch Genootschap tot verdediging van den Christelijken Godsdienst'. Zou dit genootschap overigens nú nog dezelfde ideeën koesteren als bij zijn oprichting in 1785, dan had er nooit een vruchtbare samenwerking met haar tot stand kunnen komen.

Frishman is docent Aramees en Hebreeuws aan de Rijksuniversiteit Leiden en is gepromoveerd op het christelijk Aramees. Voorlopig voor vijf jaar zal zij zich als professor - “ik vind het toch wel een hele eer voor een bijzonder hoogleraarschap gevraagd te worden” - verdiepen in de 'geschiedenis van de relatie tussen jodendom en christendom in de nieuwere tijd'. Ze is benoemd voor een dag in de week, die zij zal besteden aan eigen onderzoek, colleges en hopelijk ook het begeleiden van eigen promovendi.

Het Haagsch Genootschap, dat in overleg met de theologische faculteit in Leiden het initiatief heeft genomen tot deze nieuwe leerstoel, heeft in Utrecht nog twee bijzondere leerstoelen, één in de godsdienstpsychologie - bezet door prof. dr. J. A. van Belzen - en één in de wijsgerige theologie, in het bijzonder met betrekking tot het vrijzinnige denken, bezet door prof. dr. Th. M. van Leeuwen.

Bovendien heeft het genootschap sinds het begin van de twintigste eeuw twee scholen in Den Haag: een 'leer'school (nu basisschool) en een mulo (nu mavo), beide van vrijzinnig-protestantse snit.

Haagsch Genootschap

De orthodox-protestantse achttiende-eeuwse predikanten die aan de wieg stonden van het Haagsch Genootschap, hadden maar één doel voor ogen en dat was de verdediging van het traditionele christendom tegen de “lasterlijke aanvallen vanuit de Verlichting”, met name van de Engelse scheikundige, theoloog en politicoloog Joseph Priestley. Deze Priestley bepleitte de terugkeer naar een oorspronkelijk, zuiver christendom, dat in de loop der eeuwen in tal van opzichten verbasterd zou zijn.

De verontwaardigde dominees ervoeren deze zienswijze als een aanval op hùn opvatting van het traditionele christendom en noemden hun organisatie daarom het 'Haagsch Genootschap tot verdediging van den Christelijken Godsdienst tegen deszelfs hedendaagse bestrijders'.

In de loop van de negentiende eeuw werd de zinsnede 'tegen deszelfs hedendaagse bestrijders' uit de naam geschrapt. Dat moest wel, want het genootschap maakte een opmerkelijke ontwikkeling door, in een richting die vermoedelijk meer in de smaak zou zijn gevallen bij de oorspronkelijke aartsvijand Priestley dan bij de orthodoxe predikanten die het genootschap in 1785 hadden gesticht.

De leden van het genootschap kozen voortaan voor een wetenschappelijke weerlegging van vooroordelen en stonden vrij wetenschappelijk onderzoek voor. Ze verdedigden een eenvoudig bijbels, niet-dogmatisch christendom en gingen daarmee een vrijzinnig-protestantse koers varen, waarvan tot op de dag van vandaag niet meer is afgeweken.

Roeping

Judith Frishman kan zich uitstekend vinden in de strevingen van dit opmerkelijke Haagsch Genootschap. “Zij staan vrij wetenschappelijk onderzoek voor en willen vooroordelen bestrijden met behulp van de wetenschap. Die doelstelling zie ik als mijn roeping op deze bijzondere leerstoel. Wetenschappelijke bezinning ligt mij goed; ik ben niet zo het type van de missionaris die de mensen wel even van hun vooroordelen zal afhelpen.”

De bijzondere leerstoel waarop zij is benoemd ligt op het terrein van de kerkgeschiedenis. Ze zal zich bezighouden met vragen naar de niet altijd zo gemakkelijke verhouding tussen joden en christenen, naar de emancipatie van de joden en naar verschillen op dat vlak tussen Nederland en andere landen.

A. van der Klaauw, voorzitter van het genootschap, is erg ingenomen met de komst van Frishman op deze post. “Het past in onze traditie dat we voor deze leerstoel juist iemand uit de joodse en nu eens niet uit de christelijke traditie wilden hebben. Met mevrouw Frishman hebben we een goede wetenschapper gevonden, die ermee vertrouwd is de vragen van het jodendom aan het christendom te stellen - en omgekeerd - en die weet hoe dat overkomt. Zij is in staat deze uitdaging op een open, kritische en tolerante wijze aan te gaan.”

Judith Frishman is erg geboeid door het jodendom in Duitsland. In het kader van haar bijzonder hoogleraarschap heeft zij een begin gemaakt met een vergelijking tussen Duitsland en Nederland in het midden van de vorige eeuw. “Onder invloed van revoluties elders in Europa was er in de Duitse staten rond 1850 sprake van snelle religieuze veranderingen. Ik ben gaan kijken hoe het er in diezelfde tijd - vijftig jaar na de emancipatie van de joden - in Nederland voorstond, en ontdekte dat er in de periode 1844 - 1862 op religieus vernieuwingsgebied wel iets is gebeurd, maar lang zo vergaand niet als in Duitsland.”

Al snel werd haar aandacht getrokken door de negentiende-eeuwse pogingen tot missie onder de Nederlandse joden en de felle reacties en grote ergernis die dat opwekte in de joodse gemeenschap. “Een deel van de zendelingen bestond uit tot het christendom bekeerde joden. Wie waren zij? Waarom hebben ze zich bekeerd? Waarom zijn ze zendeling geworden? Welke visie hadden ze op Israël en welke rol zagen zij weggelegd voor Israël, toen ze christen waren geworden? Op deze vragen probeer ik een antwoord te vinden.

Bekeerde joden

Opvallend is dat ook nogal wat leden van de joodse elite zich bekeerden: Da Costa, Capadose, Bromet en bij- voorbeeld ook Lipman, de voorzitter van het Nederlands Israëlitisch Seminarium, werden christenen. Waarom?''

Maar ook - en in meerderheid - arme joodse mensen bekeerden zich. Waarom? De burgerlijke gelijkstelling van de joden was economisch gezien niet direct een zegen, want de economische situatie in Nederland was uitermate slecht rond 1796. De overgrote meerderheid van de Nederlandse joden leefde gedurende de gehele negentiende eeuw onder de armoedegrens. Sommigen van hen kozen ervoor christen te worden, teneinde verlichting te vinden van hun noden. De missionarissen beloofden namelijk hun schulden af te lossen, als zij zich bekeerden. Maar helaas bleek die verlichting slechts van tijdelijk aard te zijn.

Frishmans voorlopige conclusie is dat de Nederlandse joden uit de elite zich lieten bekeren uit overtuiging, in tegenstelling tot de Duitse joden, die nooit puur uit overtuiging christen werden. Op zijn best hadden die gemengde redenen. “Van volledige emancipatie van de joden was in Duitsland nog geen sprake. Daarom lieten veel Duitse elite-joden zich, anders dan in Nederland, wèl om sociaal-economische redenen bekeren, bijvoorbeeld om een positie op de universiteit te kunnen bekleden.”

Om een zo helder mogelijk beeld te krijgen van de situatie van de joden in Nederland, bestudeert Frishman ook nauwkeurig de joodse weekbladen uit het midden van de 19e eeuw. “Die bladen tonen zich zeer bezorgd over de missionaire activiteiten onder de joden. Eerst nemen ze het standpunt in dat ze de christelijke missie het beste kunnen negeren. De brieven die zendelingen stuurden werden door de weekbladen geweigerd. Heel af en toe maken ze melding van een gebeurtenis waarover zij zeer verontwaardigd zijn.”

Waarnaar zochten de Nederlandse joden die zich tot het christendom bekeerden? Wat misten zij in de joodse gemeenschap? Waarom waren de joden in Duitsland in het midden van de 19de eeuw zeer hervormingsgezind, terwijl de Nederlandse rabbijnen niets moesten hebben van deze Duitse 'ketterij'? Op vragen als deze probeert Frishman een wetenschappelijk gefundeerd antwoord te vinden in de komende vijf jaar van haar bijzonder hoogleraarschap.

Door de wol geverfd

Dat Frishman in de dialoog tussen joden en christenen inmiddels door de wol is geverfd, is niet te veel gezegd. Zo is zij plaatsvervangend lid van het Overlegorgaan joden en christenen en lid van de feministische Annette Daum-groep van joodse en christelijke vrouwen. Ook privé houdt ze het joods-christelijke gesprek gaande, in de door haar en haar echtgenoot, de liberale rabbijn Edward van Voolen, opgerichte Spiegelgroep.

Ze wil de komende jaren ook samenwerking zoeken met Simon Schoon en Marcel Poorthuis. Schoon bezet een leerstoel joods-christelijke relaties in Kampen en Poorthuis is directeur van het r.-k. onderzoeksinstituut van de katholieke theologische universiteit Utrecht, dat zich bezighoudt met joods-christelijke relaties. “Met hen beiden wil ik aan de weg gaan timmeren, vooral om jongeren te interesseren voor deze onderwerpen.”

mailIcon print |