“Cuba si! Yankee no!” Begeleid door onheilspellende trommels en met fakkels in de hand marcheerden afgelopen woensdag alweer enige duizenden jongeren door de straten van Havana om hun steun aan de revolutie te betuigen. Drie dagen na het bevrijdende bezoek van de paus van Rome gaf de communistische jongerenorganisatie van Cuba de indruk dat het revolutionaire elan ongebroken was.
Vanaf de prachtige gebouwen uit de Spaanse koloniale tijd op het lommerrijke universiteitsterrein ging het in optocht naar het pompeuze monument van José Martí, de vader des vaderlands die op die dag 145 jaar geleden werd geboren. Daar, op hetzelfde Plaza de la Revolución waar de paus nog geen week geleden individuele vrijheid en menselijkheid predikte, werd een oude geloofsbelijdenis nadrukkelijk bevestigd: “In een neoliberale en steeds meer globaliserende wereld, die afstevent op een onvermijdelijke crisis, bevestigen wij jonge Cubanen ons geloof in de revolutie”, riep jeugdleider Enrique Cabezas tegen de juichende menigte.
En op dat zelfde moment verkondigde in Santiago, helemaal aan het andere eind van het duizend kilometer lange eiland, Raul Castro een gelijkluidende boodschap. De tweede man van Cuba, broer van president Fidel, zei dat zijn land standvastig trouw zal blijven aan de communistische beginselen. Dat deed hij in een stad waar zaterdag nog aartsbisschop Pedro Meurice Estiu de paus verwelkomde met de woorden: “Dit volk respecteert de autoriteiten en wil orde, maar het moet nog leren valse profeten te demystificeren. Een groeiend aantal Cubanen verwart patriottisme met een partij, cultuur met een ideologie en de natie met het historische proces dat we de afgelopen tientallen jaren hebben meegemaakt.”
Daar krijgt de bisschop van Santiago dus problemen mee. “Die toespraak doet me denken aan de betreurenswaardige periode aan het begin van de revolutie, toen sommige geestelijken zich on-vaderlandslievend opstelden”, reageerde parlementsvoorzitter Ricardo Alarcon. En dat klonk al behoorlijk dreigend. Gebrek aan patriottisme was aan het begin van de jaren zestig reden om geestelijken het land uit te zetten en kerken te sluiten. Compañero Papa (kameraad Paus), zoals hij tijdens het bezoek liefkozend werd genoemd, kon zich als vriend van Fidel de nodige kritiek veroorloven. Maar dat betekent nog niet dat elke Cubaanse bisschop vrijuit kan spreken.
En Alarcon is niet zo maar een parlementsvoorzitter, hij is de man binnen de communistische partij die zich druk profileert als het redelijk alternatief voor als Castro er straks niet meer is. Als die al waarschuwingen uitdeelt, zal de harde vleugel van de partij er nog wel veel rabiater over denken.
Het zijn spannende, maar ook verwarrende tijden in Cuba. Er is van alles aan de hand, zonder dat de Cubanen duidelijk is wat precies en welke kant het op zal gaan. “Ik raak nogal in de war”, zegt de 38-jarige Carlos Pobleta, werktuigbouwkundig ingenieur van beroep. “Ik ben lid van de partij en ik hou van Fidel, maar ik begrijp niet alles meer. Overleven kun je in dit land alleen nog met dollars, en dat is toch het geld van onze vijand. Het portret van Lenin op het plein wordt gewoon vervangen door dat van Jezus en dan moeten we van Fidel ook nog allemaal naar de mis.”
Overdag werkt ingenieur Pobleta achter de tekentafel, waar hij onderdelen ontwerpt voor kapotte machines, zodat ze met de hand kunnen worden nagemaakt. Leuk en hoogwaardig werk, vindt hij, maar hij kan niet leven van de 260 pesos (26 gulden) die hij daarvoor maandelijks krijgt. Dus rijdt hij 's avonds met een collega-ingenieur rond in zijn blauwe Lada, als illegale taxichauffeur op zoek naar mensen met dollars. Want daarmee kun je in winkels terecht waar de schappen niet leeg zijn.
Hij vindt het eigenlijk een diepe nederlaag, die dollars. “We hebben weer een klassenmaatschappij gekregen: aan de ene kant Cubanen die op de een of andere manier toegang hebben tot dollars, en aan de andere kant mensen die alleen in pesos krijgen uitbetaald. Die zijn echt arm, en worden steeds armer. En dan heb je nog de exiliados, de Cubanen die ooit naar Florida zijn gevlucht. Toen die mensen vijftien jaar geleden bekendmaakten dat ze wilden vertrekken, noemden we hen guisanos (wormen). Ik heb die mensen nog met eieren bekogeld en de ramen van hun woningen ingegooid. En nou moeten we hen beleefd ontvangen als deftige toeristen, omdat zij geld het land in brengen. Ze mogen in hotels logeren waarin ik niet eens word toegelaten, ook al kan ik met dollars betalen.”
De economie van het land is al net zo verwarrend. De staat bestiert nog steeds alle grote industrie en landbouw, maar enige ruimte voor particulier initiatief is er wel. Alleen is altijd onduidelijk hoe groot die ruimte is. Na het instorten van de Sovjet-Unie en het wegvallen van de massale economische steun uit Moskou, ging Cuba door een diep dal, waaruit het nu lijkt op te krabbelen. Het tekort aan olie werd deels opgevangen door iedereen een (Chinese) fiets te schenken, het gebrek aan emplooi door het oprichten van kleine bedrijfjes mogelijk te maken. Het toerisme groeit, vorig jaar bezochten ondanks de Amerikaanse boycot 1,2 miljoen buitenlanders het eiland. Langs de noordelijke kust staan rijen ja-knikkers olie op te pompen, een uur in de wind stinkend vanwege het veel te hoge zwavelgehalte, maar er wordt meer en betere olie vermoed vlak voor de kust.
Drie jaar geleden stikte het van de paladares, huiskamerrestaurantjes met maximaal twaalf stoelen waar je voor een zeer redelijke prijs naar Cubaanse begrippen lekker kon eten. Die sector kwam zo tot bloei, dat de staatsrestaurants met hun slechte voedsel en vreselijke bediening leegliepen. In plaats van de concurrentie aan te gaan, beschermde de staat haar belang door forse belastingen in te voeren.
De eigenaresse van paladar Amor in Calle 23, een van de beste huiskamerrestaurants van Havana: “Ik moet vierhonderd dollar én zeshonderd pesos per maand betalen voor mijn vergunning. Dat is bijna niet op te brengen, zeker niet als je nooit buitenlandse gasten krijgt. De meesten hier in de omgeving hebben hun paladares al weer gesloten. Ik wil best veel belasting betalen, maar dan moeten ze me ook toestaan meer stoelen en tafels te plaatsen, mensen wachten soms uren op hun beurt. Of ze moeten me belasting laten betalen naar gelang de omzet. Nu moet ik aan het begin van de maand dat bedrag neertellen, of ik gasten krijg of niet.”
Doña Ana begint er op haar oude dag niet aan, zij wil geen dollarvergunning. Overdag schenkt de vrouw vanuit het raam van haar woning tegenover de universiteit koffie. De beste van Havana, weten de studenten, en ze vraagt er slechts één peso (een dubbeltje) voor. Een halve kilometer verder kost een kopje koffie in hotel Havana Libre anderhalve dollar, dertig keer zoveel. Als ze met een officiële vergunning zou werken, moest ze zoveel belasting betalen, dat ze haar koffie ook zo duur zou moeten maken - en dan zou er geen Cubaan meer komen.
Maar ze kan nu toch met een stuk karton langs de weg haar koffie adverteren, zodat de toeristen hier ook voor een peso koffie komen drinken en zo haar omzet verhogen? “Dan is mijn koffie zo op en hebben de studenten en leraren niks meer. Ik zit nu al vaak zonder koffiebonen, omdat die gewoon niet te krijgen zijn in de winkel.” In het Havana Libre zijn de koffiebonen nooit op.
Nu de staat het privé-initiatief weer bij de keel grijpt, duiken velen met hun handel de illegaliteit in. Particuliere taxi's, prostitutie en verboden goederen worden fluisterend aangeboden. Vooral de handel in Cohibas, sigaren waarvoor je in Nederland zeventig gulden per stuk betaalt, floreert. De Cubaanse jongens van een jaar of zeventien hebben veel weg van de drugsrunners op de Dam in Amsterdam. Fluisterend bieden ze je hun rookwaar aan, voor vijf gulden of minder per stuk, ga maar mee naar dat portiek om ze te ruiken. Ze kosten slechts een fractie van wat ze in de staatswinkel moeten opbrengen, dus daar moet ergens corruptie of diefstal tussen zitten om ze uit de fabrieken hier in de straathandel te krijgen.
Als we midden op de middag aankomen bij het huis van Magaly de Armas, in een buitenwijk van Havana, moet ze eerst het tuinhek van het slot halen. Niet dat ze bang is voor buitenlandse journalisten, integendeel. Maar ze wil niet dat de politie of de veiligheidsdienst zomaar onaangekondigd haar woning binnenstormt, ze hoort hen graag aankomen. En ze heeft reden genoeg om te vrezen dat dat vroeger of later weer gebeurt.
De Armas (48) is de echtgenote van Vladimiro Roca, een dissident die sinds zomer vorig jaar in de gevangenis zit. Waarom precies weet ze ook niet. Vladimiro had kritiek op het regime van Castro en uitte die ook, niet alleen in zijn directe omgeving, maar ook tegenover buitenlandse journalisten en diplomaten. “Ze namen hem mee op beschuldiging van het verspreiden van vijandelijke propaganda. Later zeiden ze dat er nog geen beschuldiging is, dat men nog aan het vooronderzoek werkt. Je kunt hier makkelijk een jaar in de gevangenis zitten zonder een aanklacht.”
Met haar man gaat het naar omstandigheden goed, zegt ze. Ze mag hem één keer per drie weken opzoeken in Cienfuegos, een paar honderd kilometer verderop. Het eten is 'superslecht', maar hij wordt niet mishandeld. Hij zit in de zwaarst bewaakte gevangenis, niet wegens ontsnappingsgevaar maar ter bescherming tegen gewone criminelen. Waarmee de autoriteiten toegeven dat er verschil is; formeel is een dissident als 'contra-revolutionair' een gewone misdadiger.
“Ik ben er slechter aan toe dan hij, denk ik”, zegt Magaly de Armas. “Ik kan niet goed tegen die onzekerheid. Veel mensen hier in de buurt willen niet meer met me gezien worden, maar ze steunen me wel in het geheim. Ik weet dat ik hier in de gaten wordt gehouden en dat ze Vladimiro als een soort gijzelaar vasthouden. Maar ik wil zoveel mogelijk contact met buitenlanders, want bekendheid kan zijn redding zijn. Mensen die vergeten worden, kunnen ze laten verdwijnen.”
Hij is een van de tussen de twee- en zeshonderd politieke gevangenen in Cuba. De meesten zitten vast omdat zij openlijk vragen probeerden te stellen over het gebrek aan vrijheid en democratie. Vragen die nog lang niet zo ver gingen als de kwesties die de paus vorige week aansneed, direct uitgezonden door de staats-tv. Kameraad Paus vroeg zelfs rechtstreeks om de vrijlating van tweehonderd 'gewetensgevangenen'. De Armas: “Misschien dat dat helpt, de mensen weten nu in elk geval dat die gevangenen er zijn.”
Dissidenten zijn in Cuba zelf vrijwel onbekend, alle media zijn stevig in handen van de staat en zelf drukwerk verspreiden is zo goed als onmogelijk. Vladimiro Roca is de zoon van Blas Roca - een in Cuba beroemde revolutionair die in 1987 overleed - en als zodanig een bekende naam. Slechts weinigen weten dat hij opgepakt is. “Zit Vladimiro in de cel?”, reageert een Cubaans kunstenaar verbaasd. “Dat is de zoon van een heel hoge revolutionair, die moet het dus wel erg bont gemaakt hebben.”
Het bezoek van de paus, tot voor kort een volslagen onbekende voor het overgrote deel van de Cubanen, heeft zeker een sfeer van opwinding en spanning gebracht. Al die rondrennende journalisten met hun opgewonden praat over de val van het communisme, al die vermeende en echte spionnen die ineens de cafetaria's van de hoofdstad leken te bevolken, de tientallen buitenlandse politici - ook Amerikaanse - die deze weken ineens in alle stilte ontvangen werden door de hoge communistische leiders, al het pauselijk gepraat over vrijheid - de Cubanen hebben het met de nodige scepsis aanschouwd. Maar iets is er wel van blijven hangen.
“We zullen straks spreken over een Cuba vóór de paus en een Cuba na de paus”, zegt een Europese diplomaat, “welke kant het ook opgaat. Want de partij kan niet alles wat gezegd is meer terugnemen, ze kunnen niet meer doen alsof de paus helemaal niet geweest is.” Hij denkt dat de mensen helemaal niet staan te trappelen om het bewind omver te werpen. Ze zien Rusland als een afschrikwekkend voorbeeld, ze achten zichzelf nog stukken gelukkiger dan de gemiddelde Rus na de val van het communisme.
Vermoedelijk is dat een juiste inschatting. Materieel (voeding, onderwijs, gezondheidszorg) gaat het de Cubanen ook nog steeds beter af dan de meeste andere inwoners van Latijns-Amerika. Maar de vraag is hoe lang nog. De regering kan het geklaag over het tekort aan veel nog steeds pareren door de Amerikaanse economische blokkade de schuld te geven. Een argument dat vrij breed wordt geaccepteerd en dat voor een deel ook wel opgaat. Maar als de bewoners gaan zien dat landgenoten die aan dollars kunnen komen het steeds beter krijgen, terwijl zij met hun distributiebonnen in lege winkels staan, kan dat begrip wel eens verdwijnen.
Enrique Catalan, vertaler en docent van beroep, voorziet dramatische tijden. Hij verdient vijftien dollar per maand (hoewel hij in pesos uitbetaald krijgt, zegt hij alleen nog maar in dollars te rekenen omdat dat het enige echte geld is), en daar kan hij niet van leven. “Ik noem dat gewoon werkloosheid, want dat is werk zonder echt inkomen in feite. Dat betekent dat twee derde van onze bevolking nu zo goed als werkloos is, een dramatisch aantal. Dat kan toch niet goed gaan?”
Hij gelooft nog steeds in Fidel Castro en is vooral bang voor wat er gebeurt als el comandante sterft. “Ik weet dat er eerst een enorme chaos zal zijn, voordat er een nieuwe omwenteling komt. En ik weet niet zeker of die nieuwe omwenteling wel de goede kant opgaat.” Het schrikbeeld van velen is dat de naar Cuba gevluchte ballingen het land binnen zullen stormen, eventueel geholpen door het Amerikaanse leger. Of dat Fidels broer Raul het roer overneemt: “Dan wordt Cuba een dictatuur, want Raul heeft alleen het vertrouwen van het leger”, aldus Catalan.
Is het niet al een dictatuur? “Nee, zo kun je het niet noemen, want wij steunen Fidel, ook al doet die soms rare dingen. Het was wel raar om in de Granma te lezen dat de paus werd gezien als de vertegenwoordiger van God op aarde. We dachten dat Fidel dat al was. Maar misschien zijn er meer.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.