De auteur is voorzitter van de GroenLinks-fractie in de gemeenteraad van Amsterdam.
De afgelopen vijf jaar zijn de huren jaarlijks gemiddeld met ruim 5 procent gestegen, dat is meer dan twee keer zoveel als de inflatie. Omdat de inkomens veel minder snel stijgen en de huursubsidie is beperkt, hebben de mensen met minimum-inkomens steeds minder te besteden. Het huurbeleid van de laatste regeringen heeft dus stevig bijgedragen aan de toenemende armoede.
Onder voormalig staatssecretaris Heerma is tussen de rijksoverheid en de woningcorporaties het zogenaamde 'bruteringsakkoord' tot stand gekomen, waarbij schulden en verplichtingen tegen elkaar werden weggestreept. Addertje onder het gras was dat deze ruil gekoppeld is aan de afbraak van exploitatiesubsidies. De woningcorporaties verhalen dit op hun huurders. Daartoe werd afgesproken dat zij de huren gedurende 15 jaar met minstens 3,8 procent mogen verhogen.
Die 3,8 procent kan best omlaag. De inflatie en rente zijn beide laag. In het bruteringsakkoord is uitgegaan van 3 procent inflatie per jaar, nu is dat nog geen 2 procent. Om de gemiddelde huurstijging verder terug te brengen naar het niveau van de inflatie kan de rijksoverheid weer overgaan tot het geven van (beperkte) exploitatiesubsidies.
Ook premier Kok en staatssecretaris Tommel zeggen nu dat de huren jaarlijks minder hard zullen moeten stijgen. Maar vooralsnog wordt dat niet omgezet in regeringsbeleid: de maximale huurverhoging blijft 6,5 procent. Voor de gemiddelde huurtrend wordt, in het verlengde van het bruteringsakkoord, uitgegaan van 4 procent in 1996. Dat lijkt iets minder dan vorige jaren, maar schijn bedriegt omdat het opnieuw meer dan 2 procent boven het niveau van de inflatie en de inkomensgroei van de laagstbetaalden ligt.
De woningcorporaties verhogen hun huren ver boven de inflatie, niet alleen omdat het Rijk de exploitatiesubsidies heeft afgeschaft. De corporaties worden geacht ook allerlei onrendabele investeringen ten behoeve van de volkshuisvesting uit eigen middelen te betalen. Bijvoorbeeld voor het aankopen en opknappen van oude woningen die particuliere huisbazen niet op eigen kosten willen verbeteren. Of om de sociale nieuwbouw nog enigszins betaalbaar te houden.
Vroeger werd dit soort volkshuisvestingsbeleid door de overheid zwaar gesubsidieerd. Daar is bijna niets van over; het maatschappelijk middenveld, dat wil zeggen de woningbouwcorporaties, moet zijn verantwoordelijkheid maar nemen. Gevolg is dat het geld voor volkshuisvestingsbeleid nu eenzijdig bij de huurders van corporatiewoningen gehaald wordt. Dat lijkt mij niet te rechtvaardigen. De overheid moet hier weer over de brug komen. Dat geldt ook voor de huursubsidie. De bezuinigingen hierop moeten van de baan.
Geld
Bovenstaande voorstellen kosten geld, maar dat kan worden gevonden door herschikkingen binnen de volkshuisvestingssfeer. In de eerste plaats door eindelijk eens het systeem van onbeperkte hypotheekrente-aftrek ter discussie te stellen. Dit systeem is bijzonder onrechtvaardig, want het belastingvoordeel is groter naarmate het inkomen hoger en de woning duurder is. Door de hypotheekrente-aftrek op deze punten te corrigeren, kan het rijk veel geld besparen.
Een tweede voorstel is de huurbelasting. Met wisselende argumenten steeds afgehouden. Wat is er nu eigenlijk op tegen om bijvoorbeeld huishoudens met een inkomen van meer dan 60 000 gulden per jaar die in een goedkope corporatiewoning wonen, een huurbelasting te laten betalen? Bijvoorbeeld tot 90 procent van de maximale puntenhuur. Dit geld kunnen de corporaties dan inzetten voor de volkshuisvesting, voor het bouwen en exploiteren van betaalde woningen voor iedereen.
Merkwaardig genoeg blijven de particuliere huisbazen in het debat over de huren meestal buiten schot. Terwijl zij toch een groot deel van de huurhuizen bezitten; in Amsterdam zelfs een derde van de 'goedkope' woningen. Ook zij profiteren van de extra huurverhogingen, zonder dat er ook maar sprake van is dat daar onrendabele investeringen in de volkshuisvesting tegenover staan. Sterker nog, zij trekken hun huren vaak nog meer omhoog, doordat het zogenaamde puntenstelsel dit mogelijk maakt.
In dit systeem worden woningen op grond van hun omvang, kwaliteit en ligging met punten gewaardeerd. Per punt mag een maximaal bedrag aan huur gevraagd worden. Wie minder dan de maximale puntenhuur betaalt, kan een extra huurverhoging krijgen die de gemiddelde huurtrend nog aanzienlijk te boven gaat. Bovendien kan een verhuurder de huur voor een nieuwe bewoner van een leeg gekomen huis in één keer op 100 procent van de maximale puntenhuur vaststellen.
Van beide mogelijkheden maken particuliere huisbazen op grote schaal gebruik. Zo onttrekken zij alleen al in Amsterdam jaarlijks duizenden woningen aan de goedkope voorraad.
Onbegrijpelijk
Intussen is de maximale puntenhuur ver uitgestegen boven het bedrag dat een huiseigenaar gemiddeld nodig heeft om zijn bezit te exploiteren en te onderhouden. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de regering voorstelt dit jaar de maximale puntenhuur met 4 procent te verhogen. Dat leidt tot overwinsten voor huisbazen ten koste van huurders en tot extra uitgaven van de overheid voor huursubsidie. Een reële verlaging van de maximale puntenhuur ligt dan ook meer voor de hand. Dat kan worden bereikt door de maximale puntenhuur een aantal jaren te bevriezen.
Wie een betaalbare woning voor iedereen dichterbij wil brengen, kan de volkshuisvesting niet aan markt en middenveld overlaten. De overheid zal dan ordenend moeten optreden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.