Minister Korthals van justitie riep vorig jaar het ongeluk over zich af door zijn voorliefde te bekennnen voor Oblomov. Kort na zijn aantreden vertelde hij in een interview dat hij zichzelf nu en dan bij de kraag moest vatten om niet aan de gemakzucht en dadenloosheid van deze romanfiguur uit het gelijknamige boek van Gontsjarov ten prooi te raken. Hij is er sindsdien al een paar keer mee gepest, maar de afgelopen week brak de openhartigheid hem pas echt op, toen de Tweede Kamer scherpe kritiek leverde op zijn terughoudendheid om zedendelinquenten harder aan te pakken. Te gemakkelijk ontstond nu het beeld dat de kritiek terecht was en het weerwoord van de minister slechts een hulpeloze poging om zijn luiheid te bemantelen. Zo simpel is het helaas niet.
Het debat over de justitiebegroting stond, zoals zich vooraf liet aanzien, volledig in het teken van enkele ernstige zedenmisdrijven, waarvan kinderen het slachtoffer werden. Deze zaken hebben in de samenleving uiteraard onrust en angst gezaaid. Tegelijk lokten zij ook griezelige vormen van eigenrichting uit, zoals in een nieuwbouwwijk in Rijswijk, waar een vermeende pedofiel en zijn gezin letterlijk werden weggejaagd. In Engeland zagen we al eerder hoe vrijgekomen pedofielen door burgers en media als wild werden opgejaagd. Er was dus een dubbele aanleiding voor de Kamer uitvoerig op het beleid terzake in te gaan. De wijze waarop dat gebeurde, roept echter wel enige twijfel op.
Het is op zich goed dat de Kamer als een schaal van Richter gerommel in de samenleving registreert. Een democratie functioneert naar behoren als kamerleden naar de bevolking luisteren en stem geven aan heersende gevoelens van bezorgdheid en angst. Het is zelfs nog beter met de democratie gesteld als de volksvertegenwoordigers het daar niet bij laten en hun best doen naar oplossingen te zoeken om de oorzaken van de onrust weg te nemen. Een optreden van kamerleden dat wordt gekenmerkt door inlevingsvermogen, ernst en ijver, wekt vertrouwen en voorkomt verharding van het maatschappelijk klimaat, met allerlei benauwende uitingsvormingen zoals het volksgericht in Rijswijk. De wijze waarop de kamerleden minister Korthals de afgelopen week belegerden met suggesties en ideeën om zedenmisdadigers aan te pakken, beantwoordde nawelijks aan die geest. Veel meer had dat optreden het karakter van een zoektocht naar de overtreffende trap.
Voor een minister van justitie, die naar de aard van zijn functie niet alleen over het zwaard maar ook over de weegschaal beschikt, zat er alleen daardoor al weinig anders op dan terughoudend op al die voorstellen te reageren. Die houding werd niet zozeer ingegeven door Oblomov, als wel door Vrouwe Justitia, die zorgvuldig wil afwegen of maatregelen redelijk, proportioneel en ook effectief zijn. In het licht van die toets lijken nogal wat suggesties, zoals chemische castratie, af te vallen. Daarbij is Korthals lang genoeg advocaat en justitie-woordvoerder in de Kamer geweest om te weten dat het strafrecht een ultimum remedium is.
Die notie is in deze discussie niet irrelevant, omdat de bijna hysterische roep om de aanpak van zedenmisdadigers in een nogal opvallend contrast staat met het gemak waarmee het oprukken van de seksindustrie in het publieke domein wordt geaccepteerd. Dat duidt zacht gezegd op een zekere hypocrisie. Dat geldt al evenzeer voor het gebrek aan consistentie van de Kamer zelf, want de discussie over de aanpak van zedenmisdadigers is niet van vandaag of gisteren.
Ook twintig jaar geleden riepen politici al om chemische castratie, zonder zich de vraag te stellen in hoeverre zo'n ingreep ook werkelijk effectief is. Het enige verschil is dat het spierballenvertoon nu algemeen is geworden. Voor zover er nog enig tegenwicht wordt gegegeven, komt dat van de minister van justitie, die zich daartoe als bewaker van het recht en de rechtsgang geroepen voelt. De kamerleden zijn vooral bezig elkaar te overbieden met als belangrijkste doel de publiciteit te halen. Dat komt het vertrouwen van de burgers in de politiek uiteraard niet ten goede, want zo ontstaat in de beeldvorming een enorme kloof tussen wat aan oplossingen wordt gesuggereerd en wat de overheid in werkelijkheid vermag.
Een ander negatief effect is dat de Kamer transformeert van een arena waar ideeën botsen en in gemeen overleg met de regering ernstig en ijverig naar oplossingen wordt gezocht, tot een vismarkt waar de grootste bek het gelijk aan zijn zijde krijgt. Dat is des te treuriger omdat hierdoor de achterliggende visies van partijen onvoldoende naar voren komen. Het CDA, dat vandaag congresseert over veiligheid op straat, ontwikkelde hierover de afgelopen tijd interessante denkbeelden, die duidelijk onderscheidend zijn. Maar op de Haagse vismarkt blijkt daar weinig van. In dat licht zou de politiek wel iets meer van Oblomov kunnen gebruiken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.