Af en toe komt er een tuinboek uit met een eigen invalshoek. Dit voorjaar waren dat een encyclopedie, een moestuinboek en een wandelboek.
Ieder voorjaar brengen uitgeverijen stapels boeken uit waarin staat wat onze planten nodig hebben, welke kleurencombinaties wel of niet kunnen en welke tuinontwerpen ons het gelukkigst zullen maken. Jaar in jaar uit herkauwen de schrijvers van tuinboeken hun kennis, net zolang tot er geen enkele smaak meer aan zit.
Nou kan ik me voorstellen dat er niks opzienbarends meer valt te vertellen over het planten van een boom, het onderhoud van het gazon en het snoeien van de roos. Die bezigheden kwamen ook in 1927 en 1956 al zo’n beetje op hetzelfde neer. Een knappe jongen die daar nog iets aan toe weet te voegen.
En toch zit er tussen al die uitgekauwde boeken af en toe een tuinboek met een eigen invalshoek. Ook dit voorjaar zijn er weer een paar die opvallen. Dat is om te beginnen de ’Tuintechnieken encyclopedie’. Dit naslagwerk is een uitgave van de Royal Horticultural Society, een ruim tweehonderd jaar oude prestigieuze Engelse tuinvereniging. Van een boek dat onder haar auspiciën wordt uitgegeven, kunnen we met een gerust hart aannemen dat alles wat er in staat driedubbel gecontroleerd is.
Het is, waarschuw ik alvast, geen boek om gezellig mee de tuin in te nemen. Maar goed, daarvoor is het dan ook een encyclopedie. Op de 480 pagina’s komt alles aan bod wat met tuinieren te maken heeft. Nieuwe informatie zit daar niet bij, of het moet zijn dat nadrukkelijk gewezen wordt op het belang van milieuvriendelijkheid. Zelf een wormenbak maken? Vleermuizen in de tuin? Een rozenstruik verjongen of een boom restaureren? Het staat er allemaal in.
Stapsgewijs wordt uitgelegd wat er bij tuinieren zoal komt kijken. De meer dan tweeduizend tekeningen laten – beter dan foto’s – zien hoe een en ander moet worden aangepakt. Een handig hulpmiddel is de activiteitenplanner die aan een lint in het boek hangt. Er staat op wat in ieder seizoen gedaan kan worden, met daarachter de pagina waar de betreffende klus te vinden is.
Om een boek te schrijven dat ’De nieuwe moestuin’ heet, moet je wel lef hebben. Want wat kan er, sinds de Romeinen ons tweeduizend jaar geleden het moestuinieren bijbrachten, nog toegevoegd worden aan het zaaien en planten van spruitjes, bloemkool en sla?
Heel wat, beweert Peter Bauwens, de Vlaamse kweker die verantwoordelijk is voor ’De nieuwe moestuin’. En zijn inspirerende boek geeft hem gelijk. Weliswaar is er vanwege de ruime keus in winkels geen noodzaak meer om zelf groente te kweken, toch is het juist in een tijd van computers, flitsende reclame en snelle media belangrijk om af en toe tot rust te komen. En hoe kun je dat beter doen dan op je knieën, met je handen in de grond?
Daarbij hoef je niet meteen te denken aan de klassieke volkstuin met zijn rechte perceeltjes. Je kunt ook kiezen voor een speelse potager, een mix van eetbaar en mooi. Mensen die weinig vrije tijd hebben, zouden een tuin met vaste groenten kunnen overwegen – één keer zaaien en aanplanten, beetje wieden en klaar ben je. Wie houdt van exotisch eten, kan een tuin aanleggen met oosterse, Italiaanse of Zuid-Amerikaanse groenten. Supertrendy is een tuin met vergeten groenten. En ook de kindermoestuin met zijn eeuwige radijsjes, lampionbesjes en zonnebloemen komt aan bod.
Een heel ander soort tuinboek is ’Een reis door mijn tuin’ van Meinoud en Jeannette Dijkema. Het boek beschrijft hun zesduizend vierkante meter grote tuin in het Westfriese dorp Midwoud. Dertig jaar geleden kochten Dijkema en zijn vrouw het huis Mariënhof, en na jarenlang aanmodderen, vallen en opstaan en hard werken ligt er nu een prachtige tuin omheen.
Het is goed voorstelbaar dat de eigenaar van zo’n zelf geschapen paradijs zijn enthousiasme met de buitenwereld wil delen en besluit er een boek over te schrijven. Probleem is dat het heel moeilijk, zo niet onmogelijk is om de passie voor een gelukte border of een schilderachtige bomenrij over te brengen op wie die dat niet voor zich ziet. De prachtige foto’s helpen wel, maar maken het gemis aan nabijheid niet helemaal goed.
Dijkema heeft het boek spannender gemaakt door van veel planten de herkomst te noemen. En door ruiterlijk uit te komen voor vergissingen die hij in de loop der tijd heeft gemaakt. Kijk uit voor de lampionplant, de wederik en de Italiaanse aronskelk, waarschuwt hij. Het zijn vrolijke bloemen, maar dodelijk in een border. En plant ook nooit een Viburnum rhytidophyllum, een monster met viezige witte bloemen en bladeren waarvan de haren in neus en keel gaan zitten.
Hoe leuk en leerzaam die informatie ook is, het is niet genoeg. Daarom is ’Een reis door mijn tuin’ meer een kijkboek dan een leesboek. En een uitnodiging om de Mariënhof met eigen ogen te gaan bekijken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.