De dag na de storm die Nederland de adem deed inhouden uit vrees voor een watersnoodramp, staan groepjes vogelaars in de luwte van gebouwtjes op de havendijk van Lauwersoog. Door een woud van telescopen turen ze over zee, hopend op aangewaaide zeevogels. Ik loop de pier om de veerhaven af. Tjieptjiep!
Twee steenlopers strijken neer op de basaltblokken onderaan de pier. Kokmeeuwen dwarrelen over. Er dobberen eidereenden: grote zeeeenden, de vrouwtjes bruin, de mannetjes zwart-wit. Een slankere eend zwemt ertussen - grijs met een oranjebruine kop. Een vrouwtje van de middelste zaagbek. Haar snavel is dun en recht, met een haakje aan de punt. Met dat haakje kan een zaagbek onder water visjes grijpen. In de als een zaag gekartelde snavel is de vangst handig vast te houden. Warrige veertjes steken uit haar achterhoofd, een punkachtige rattenkop. Er broeden weinig middelste zaagbekken in Nederland, maar 's winters komen er duizenden op bezoek uit Scandinavië en het Oostzeegebied. De meeste overwinteren langs de kust op zee.© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.