'Onlangs sprak ik een professor, die mij uitlegde waarom aan zijn universiteit een belangrijke zaak niet goed geregeld was. "Dat komt", zei hij, "omdat zulke dingen in Nederland zo calvinistisch aangepakt worden".' Het verbaasde historicus Van Deursen.
Niet zo lang geleden sprak ik een professor, die mij uitlegde waarom aan zijn universiteit een belangrijke zaak niet goed geregeld was. “Dat komt”, zei hij, “omdat zulke dingen in Nederland zo calvinistisch aangepakt worden”. Het verbaasde mij. We waren een flink eind buiten Den Haag, maar zelfs hier, dacht ik, moeten ze gemerkt hebben dat onze kabinetten tegenwoordig paars zijn.
Nu bleek de man te bedoelen dat de bewuste regeling te zachtaardig was. Ze dwong de organisatie, geduld te oefenen met zwakkere broeders en zusters. Dat is wat de apostel Paulus aanbeveelt, en ik heb er niets op tegen dat calvinistisch te noemen, maar zullen velen juist niet eerder over het calvinisme beginnen, als regels te streng zijn? Van deze professor vermoed ik, dat hij in dat geval inderdaad hetzelfde woord gebruikt zou hebben. 'Calvinisme' omvat voor hem alles wat niet deugt.
Zo denken wel meer mensen en dat heeft te maken met hun kennis van de Nederlandse geschiedenis. De Nederlandse staat is het product van een opstand. De Nederlanders hebben voor hun onafhankelijkheid gevochten, zelfs tachtig jaar lang, tegen de machtigste mogendheid van Europa. De krachtigste propagandisten van dat verzet zijn ongetwijfeld de calvinisten geweest. Een radicale groep kan een opstand doen slagen. Maar het zal haar meer moeite kosten een nieuwe staatsgemeenschap op te bouwen. Daar is een breder draagvlak voor nodig. De Nederlandse opstand vond dit draagvlak dankzij de zeldzame omstandigheid dat de leiding in handen lag van Willem van Oranje, een man van het midden.
Hij is er in geslaagd ook de gematigden voor de opstand te winnen, en zo de grondslag te leggen van een staat die haar ontstaan dankte aan de samenwerking van twee verschillende partijen. De calvinisten droegen hun energie bij, de gematigden hun geld. De samenwerking tussen die twee was de garantie voor het succes. Geld en geloof bleven de pijlers van de Nederlandse samenleving. Hun altijd précaire onderlinge relatie maakte de Nederlandse Republiek in de zeventiende eeuw tot wat ze was. Ze waren wel genoodzaakt elkaar te aanvaarden.
Als Nederlanders er toen een identiteit op na hielden - wat altijd een twijfelachtig begrip blijft - dan vertoonde ze deze twee kenmerken. De combinatie is dan een wezenlijke voorwaarde, om de onderlinge eenheid te handhaven. De collectieve identiteit wordt bedreigd, zodra één van de twee probeert de ander weg te dringen. Dat gebeurt als het geloof meester wil worden over het geld, en dus politieke macht gaat uitoefenen. Veel voorbeelden zijn er niet, want de meerderheid van de Nederlanders is doorgaans te gematigd om macht te geven aan geloof. De meest sprekende uitzondering op die regel is het geseculariseerde geloof geweest, belichaamd in het kabinet Den Uyl.
Het omgekeerde komt vaker voor - geld wil meester zijn van het geloof. Daarom bestond er in de zeventiende eeuw in ons land nauwelijks een grotere zonde dan een faillissement, terwijl de kerk geen tucht toepaste tegen slavenhandelaars. In onze tijd is de 24-uurseconomie van Wijers de krachtigste uitdrukking van het streven, geloof ondergeschikt te maken aan geld, zodat geld de ruimte voor geloof gaat bepalen. Het evenwicht tussen die twee blijft niettemin een kenmerk van de historische identiteit. Calvinisme in enige vorm is daartoe onmisbaar, wat professoren er ook van denken. Wel kun je natuurlijk ontkennen, dat Nederland er een historische identiteit op na houdt, en dat dus dit hele verhaal onzin is. Grotere onzin dan die professorale kenner van het calvinisme vertelde is het niet.
A.TH. VAN DEURSEN Historicus, emeritus-hoogleraar VU, Trouw 24 juli 1998
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.