Moeilijk leren is een probleem, te makkelijk leren soms ook. De komende jaren zullen zich daarom zo'n twintig middelbare scholen gaan toeleggen op onderwijs aan hoogbegaafden. Met steun van de overheid, want ook de Nederlandse kenniseconomie kan profiteren. Al ziet niet iedereen de noodzaak van de extra steun.
De achterstandsleerling is geregeld onderwerp van gesprek. Vooral in de politiek, maar ook in de klas kan hij op extra aandacht rekenen van de meester of juf. Heel anders is het gesteld met de leerlingen die juist vooroplopen, de hoogbegaafden. Pas onlangs is er meer aandacht gekomen voor deze kinderen.
Zo wordt de komende jaren op initiatief van het ministerie van onderwijs landelijk een twintigtal zogenoemde 'hoogbegaafdheidsprofiel-scholen' geselecteerd. Dat zijn middelbare scholen die zich specialiseren in het begeleiden van kinderen met een hoge intelligentie. En in Nijmegen begint in augustus een aparte particuliere school voor hoogbegaafden.
Psycholoog Willy Peters van het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek (CBO) uit Nijmegen is een van de adviseurs van de overheid bij het ontwikkelen van de nieuwe profielscholen. “Het is hoog tijd dat er wat gedaan wordt voor deze groep“, vindt hij.
Een kind is volgens de definitie van het CBO hoogbegaafd als het een hoger dan gemiddelde intellectuele capaciteit heeft, dat betekent een IQ van 130 of hoger. Maar dat alleen is niet genoeg. Ook moet het kind creatief kunnen denken, dus niet alleen problemen goed oplossen, maar ook dingen op zijn kop zetten en nieuwe argumenten verzinnen voor de oplossing. Er bestaan tests om dat te meten.
Verder worden hoogbegaafden in hun vroege jeugd gekenmerkt door een grote ontdekkingsdrang, stelt Peters. “Ze zijn ontzettend gretig om dingen te ontdekken, kunnen moeilijk stilzitten en afwachten wat er op ze afkomt.“
Twee tot drie procent procent van de bevolking is, volgens het CBO, hoogbegaafd. Dat zijn zo'n 50000 kinderen. Maar er is een grotere groep met iets minder intellect die de lesstof op basisschool en middelbare school ook veel te saai vindt. Dat betreft 5 à 10 procent van alle kinderen.
In het onderwijs wordt niet goed met deze kinderen omgegaan, luidt de klacht van vooral veel ouders. Peters is het met hen eens. “Leerkrachten herkennen hoogbegaafdheid vaak niet. Ze denken bijvoorbeeld dat een hoogbegaafd kind altijd goede resultaten haalt. Dat is niet zo. Deze leerlingen zijn gewend om met weinig doen voldoende resultaat te halen. Daar schuilt een gevaar in: ze halen makkelijk een 7 of 8 en gaan dus niet voor de 9 of de 10. Als ze niet extra worden uitgedaagd leren ze op school af om hun capaciteiten te benutten. Dat kan heel teleurstellend aflopen.“
Peters ziet twee varianten van problemen, die vaak op de basisschool al beginnen. “De eerste zie je veel bij jongens. Zij gaan zich vervelen, ze klieren in de klas, hangen de clown uit. De leraar noemt ze lastig, vindt dat ze gedragsproblemen ontwikkelen. Soms krijgen ze een label opgeplakt: autisme bijvoorbeeld. En soms belanden deze kinderen op het speciaal onderwijs.“
De andere variant zie je meer bij meisjes. “Zij leren zich razendsnel aan te passen aan hun omgeving. Je ziet een terugval in bijvoorbeeld schrijven en lezen. Wat ze eerder spontaan goed konden, doen ze niet meer. Hun zelfvertrouwen neemt af.
Vervolg op pagina 2
Op je negende naar de brugklas
Vervolg van pagina 1
Ze worden depressief. Ook als ze volwassen zijn kunnen ze daar last van houden.“
Ook de overheid is inmiddels overtuigd geraakt dat er wat moet gebeuren voor deze groep kinderen, niet alleen omdat sommigen van hen moeilijkheden krijgen. Briljante geesten zijn nodig om de Hollandse kenniseconomie in de toekomst veilig te stellen. “Iedereen is blij als door de sportscholen gouden medailles behaald worden op Olympische Spelen. Met intellectueel talent kun je ook goud winnen“, legt Peters uit.
Vandaar de komst van zogeheten hoogbegaafdheidsprofielscholen. “Net als bij sport geldt voor hoogbegaafdheid: talent alleen is niet genoeg. Wil je het uiterste uit een kind halen, dan moet je trainen, trainen, trainen.“
Is die extra aandacht voor hoogbegaafdheid echt nodig? Niet iedereen ziet de noodzaak. Henk Guldemond, onderzoeker van het Groningse onderzoeksinstituut Gion, deed twee jaar geleden in opdracht van het ministerie van onderwijs onderzoek naar de problemen die hoogbegaafden op de middelbare school ondervinden. De uitkomst was verrassend: hij kon geen enkel verband vinden tussen hoogbegaafdheid en moeilijkheden in het onderwijs.
Negentig procent van de hoogbegaafden loopt zonder problemen door het vwo, bleek uit zijn onderzoek. De groep eronder daarentegen, die met een IQ tussen de 120 en 130, die ook gemakkelijk het vwo zou moeten aankunnen, bleek veel problematischer. Een kwart van hen haalt die opleiding niet zonder zittenblijven.
Guldemond: “Toen de resultaten van mijn onderzoek bekend werden, viel de hele lobby van hoogbegaafden over me heen. Broddelwerk, zeiden ze. Maar ik sta er nog steeds helemaal achter, het was een goed onderzoek.“
Hij begrijpt niet dat het ministerie nu extra investeringen doet in de groep allerslimsten. “Als er dan gesproken wordt over extra geld voor het onderwijs, dan zou ik toch niet direct aan die groep hoogbegaafden denken.“
Er zijn wel kinderen die zich vervelen in de klas, die sociaal geïsoleerd zijn, maar er is geen bewijs dat dit door hun hoge IQ komt, is zijn overtuiging. “Die problemen hebben met individuele sociale vaardigheden te maken of met uiterlijke kenmerken, bijvoorbeeld rood haar, of met armoede, als je moeder inkopen doet bij de Wibra of Zeeman. Zielige kinderen vind je trouwens ook op het vmbo, onder niet-hoogbegaafden.“
Soms worden slimme kinderen door ouders of school in een moeilijke positie geplaatst, denkt hij. “Als je een kind van tien naar de brugklas stuurt en hij wordt vervolgens gepest, dan zeg ik 'eigen schuld, dikke bult'. De emotionele ontwikkeling van een kind loopt vaak niet in de pas met zijn intellectuele ontwikkeling. Zo manoeuvreer je een kind in sociaal isolement, zo wordt het een buitenbeentje. Het is veel beter zo'n kind verrijking aan te bieden in onderwijsmateriaal, maar het wel binnen de eigen leeftijdsgroep te houden.“
De ouders van de allerslimsten zelf, verenigd in bijvoorbeeld Pharos met 2000 leden, houden echter vol dat er duizenden hoogbegaafde kinderen zijn die het moeilijk hebben. Woordvoerster Marisabel Meijer: “Deze kinderen hebben een primaire levensbehoefte: leren. Ze hoeven niet gepusht te worden, dat komt helemaal uit henzelf. Als een hoogbegaafd kind een klas overslaat, gebeurt dat zonder dat de leraar hem wat geleerd heeft, hij maakt de stof zichzelf eigen.“
Zo'n kind kun je niet in de oude klas laten, dan verveelt hij zich te erg, denkt ze. Maar de leraar is wel nodig om hem sociaal in de nieuwe klas op weg te helpen en daar schiet, volgens haar, het onderwijs tekort.
Haar eigen zoon ging op zijn negende naar de brugklas, hij heeft twee klassen overgeslagen. “Hij had schoenmaat 31 en belandde in een wereld met kinderen met schoenmaat 46.“ Hij heeft het wel naar zijn zin op school, al moest de klas aan hem wennen. “Maar bij sommige vakken verveelt hij zich alweer.“
Zij wijst op een ander probleem dat in deze gezinnen speelt. “Hoogbegaafdheid is vaak erfelijk. Alleen vroeger was er helemaal geen aandacht voor. Nu het bij kinderen wel onderkend wordt, begrijpen de ouders opeens waarom ze zelf gepest zijn op school.“
Deze ouders moeten niet alleen verwerken dat hun kind hoogbegaafd is, maar ook dat ze dat zelf zijn, merkt Meijer. “Ouders komen soms echt met zichzelf in de knoop. Het conflict dat hun eigen kind met de leraar krijgt, is hetzelfde conflict dat zij vroeger met hun onderwijzer hadden. Zij komen in een soort proces van rouwverwerking terecht.“
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.