Scholen moeten aan eisen voldoen die breder zijn dan de Cito-score. Als ze aan die norm niet toekomen is het echt geen ramp als er eens een school wordt gesloten.
Scholen voor basis- en voortgezet onderwijs moeten zich periodiek laten doorlichten. Deze visitaties leiden tot openbare rapporten die tezamen aangeven wat van een school verwacht mag worden. Op basis van die rapporten kunnen scholen regionaal een soort onderwijs kwaliteitsberaad opzetten. Documentatie, openbaarheid en overleg zouden de kernbegrippen moeten zijn van een dynamisch kwaliteitssysteem dat past bij autonome (vrije) scholen. Om dit mogelijk te maken hoeft niet veel geregeld te worden. Belangrijk is dat er enkele hoofdlijnen van wat een goede school is worden verduidelijkt.
Burgerschap is er één van en ’voldoende’ leerresultaten een tweede. Maar ook dat de school een leerklimaat heeft dat leerlingen tot goede prestaties stimuleert en dat voor leerkrachten een stimulerende werkomgeving bevordert. Ook hoort daarbij dat de school onderwijs geeft en zich daarbij oriënteert aan wat er aan kennis over ’goed’ onderwijzen is en dat personeel zich voortdurend verder ontwikkelt. Nodig zijn enkele noties over ’behoorlijk onderwijs’ die in de wet als ’beginselen’ worden opgenomen. Scholen moeten meedoen omdat ze onderdeel zijn van een maatschappelijk bestel.
In deze benadering blijft de Inspectie van het Onderwijs doen wat ze tot nu deed. Maar ze krijgt er stevig materiaal bij waar ze uit kan putten, namelijk de visitatierapporten. Dat kan voorkomen dat de Inspectie voor burgerschap van scholen ’van plan documenten’ gaat vragen zoals we konden lezen in het artikel in Trouw van zaterdag. Verder ziet de inspectie toe op het deelnemen van de afzonderlijke scholen in het kwaliteitsberaad. De Inspectie kan ook regelmatig, bijvoorbeeld in het jaarlijkse Onderwijsverslag, berichten over hoe het gaat en punten agenderen die ze zorgelijk vindt of waar ze de aandacht voor wil vragen.
De kwaliteit van een school is meer dan de Cito-score. Daar hoeft geen debat meer over gevoerd te worden. Maar een school kan nooit goed zijn met slechte Cito-scores. Wanneer een school aanhoudend niet goed genoeg is op de relevante aspecten moet de overheid kunnen ingrijpen. Dat spreekt vanzelf. Dat hoort bij verantwoordelijke autonome scholen. Op dit moment kan dit nog niet en daardoor zijn allerlei bestuurders nu gedwongen maatregelen te bepleiten of te nemen die onvoldoende gelegitimeerd lijken. Dat moet anders. De regering ziet dat ook en een wetsontwerp wordt binnenkort in de Tweede Kamer behandeld.
Helaas deugt dat wetsontwerp niet. Het is bijvoorbeeld voor het basisonderwijs gebaseerd op de Cito-scores ’tot op de millimeter’ en is door de disputen die hierover ontstaan, onhanteerbaar maar ook te beperkt. De minister moet kunnen ingrijpen in een school op basis van een oordeel van de Inspectie. Dat moet het wetsontwerp regelen. Meer niet. De Inspectie is gehouden haar werkwijze goed te verantwoorden, dat spreekt vanzelf en die werkwijze ook periodiek in ’openbaar beraad’ te brengen. De minister kan er met de Kamer over spreken. De Inspectie put uit de ’gegroeide kwaliteitsnoties’ die de afzonderlijke scholen in Nederland ontwikkelen en hanteert die noties op alle scholen.
Nederland heeft een bijzonder onderwijssysteem in twee betekenissen. Het is bijzonder vanwege de vrijheid van onderwijs en het is in de wereld zeldzaam. Het onderwijssysteem dat wij hebben past bij Nederland en dat moet niet ter discussie staan. Er is geen beter alternatief voor, maar het systeem moet wel verder ontwikkelen waarbij het ontwikkelingspeil van de Nederlandse bevolking en de variëteit die de samenleving kenmerken, nog meer gerespecteerd worden. Er hoort ook bij dat politiek verantwoordelijken effectief kunnen ingrijpen wanneer dat nodig is. Dat je af en toe een school sluit hoort daarbij. Zonder veel ophef en machteloos gekraai.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.