*

 

Wat inschikkelijkheid, graag

Boris Dittrich − 20/06/09, 00:00

Christelijke scholen en homoseksuele leraren moeten beide leren leven met hun botsende grondrechten.

Vorige week leidde ik een debat tussen Nederlandse en Amerikaanse docenten, leraren van een christelijke school in Amersfoort en leraren van de openbare ’Amersfort School’ in Brooklyn, New York.

De deelnemende Nederlandse homoleraren vertelden dat hen als homoseksueel geen strobreed in de weg gelegd wordt op hun christelijke school, terwijl de Amerikaanse collega’s van de openbare ’Amersfort school’ hun seksuele oriĆ«ntatie niet vermelden, ’om geen problemen te veroorzaken’. Op hun school gold een zelfopgelegde ’don’t ask, don’t tell’-doctrine.

Het was voor een Nederlandse toehoorder een verrassende uitkomst, zeker in het licht van de beroering die in Nederland is ontstaan over de rechten van homoleraren. Een leraar uit het Gelderse Emst is door zijn School met de Bijbel op non-actief gesteld. Wat uiteraard de vraag oproept of dit een geldige reden is om iemand te ontslaan?

De Raad van State wil af van de ’enkele feit-constructie’ in de algemene wet gelijke behandeling, die bijzondere, op religieuze grondslag werkende scholen verbiedt een leraar te ontslaan, enkel en alleen omdat hij homo is of een homoseksuele relatie heeft. Dat mag slechts als gevolg van bijkomende omstandigheden.

Nooit is sinds de invoering van de wet in 1993 duidelijk geworden wat die bijkomende omstandigheden behelzen. De Europese Commissie en de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa bekritiseerden Nederland. De ’enkele feit’ ontsnappingsclausule in de wet is te ruim en spoort niet met de anti-discriminatierichtlijn die alle landen in Europa, inclusief Nederland, met elkaar hebben afgesproken.

Terecht heeft de Raad van State, gehoorzamend aan de Europese kritiek, nu de ’enkele feit’ constructie geschrapt en de Europese uitzonderingsformulering vertaald naar de Nederlandse situatie.

Wie het advies er op na slaat, wordt echter niet veel wijzer over de vraag onder welke bijkomende omstandigheden een streng-christelijke school nu een homoseksuele leraar mag ontslaan. De Raad hanteert allerlei vage begrippen: ontslag is toegestaan vanwege ’een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste’ of vanwege ’de context van de beroepsuitoefening of de aard van de onderscheiden beroepsactiviteiten’.

Het gaat hier om een complexe kwestie, waarbij het recht om niet gediscrimineerd te worden botst met de vrijheid van het te voeren personeelsbeleid in het bijzonder onderwijs. Het probleem speelt overigens vooral in het streng-christelijke onderwijs.

Wat me trof in de discussie tussen de Amerikaanse en Nederlandse homoleraren, was de pragmatische kijk van de eersten. ’Is het niet lastig om half in de kast te moeten leven?’, kregen zij als vraag van een Nederlandse leraar. ’Enig pragmatisme maakt het leven voor iedereen makkelijker’, was het Amerikaanse antwoord: ’Waarom moeten zaken als deze op het spits gedreven worden? Er is voor beide kanten wat te zeggen, dus doen wij een stapje terug. Daardoor kunnen we les blijven geven en dat is in het belang van de leerlingen’, aldus de Amerikaanse homoseksuele leraar.

Een dosis van deze verrassende bereidheid tot inschikkelijkheid zou ik in het Nederlandse debat willen inbrengen. Toegegeven: het mooiste antwoord op de probleemstelling is natuurlijk een principieel, rechtvaardig en helder betoog dat voor alle toekomstige gevallen uitsluitsel geeft. Maar dat is een illusie. De werkelijkheid is anders dan op de politieke tekentafel.

Nederland is een klein en dichtbevolkt land. Gelovigen en ongelovigen, hetero’s en homo’s moeten allemaal hun plek in de samenleving vinden. Voor iedereen is het een beetje inschikken geblazen.

In dit proces is het logisch dat er zich een botsing van grondrechten kan voordoen, waar soms de vonken van afvliegen. En toch is het te gemakkelijk om meteen op het aambeeld van ’discriminatie’ te slaan of op dat van de ’vrijheid van bijzonder onderwijs’.

De vrijheid om niet gediscrimineerd te worden vanwege homoseksuele oriĆ«ntatie, zoals volgt uit art. 1 van de Grondwet, staat voorop en is de norm. Maar er is ook een variatie denkbaar op Voltaires lofzang op de vrijheid van meningsuiting, verwoord in zijn beroemde citaat ’Ik ben het absoluut niet met u eens, maar ik zal hartgrondig het recht verdedigen dat u uw mening kunt blijven uiten’.

Met Voltaire in het achterhoofd bepleit ik een muizengaatje: religieuze instellingen, zoals een school met de Bijbel, moeten het grondrecht van vrijheid van de inrichting van het bijzonder onderwijs kunnen blijven uitoefenen, zodat zij de grondslag van hun school op een geloofwaardige manier door het onderwijzend personeel kunnen laten uitdragen.

Wijst de school in zijn statuten de homoseksuele praxis op basis van een beperkende interpretatie van de bijbel af, dan zal deze school moeten bewijzen dat het verbod op homoseksueel gedrag van de leraar een wezenlijk, gerechtvaardigd en noodzakelijk beroepsvereiste is zonder welke de specifieke grondslag van de school in redelijkheid niet tot haar recht kan komen.

Het muizengaatje betekent dat de homoseksuele leraar op een streng-christelijke school met de Bijbel in een uitzonderlijke situatie zijn baan kan verliezen. Voor streng-christelijke scholen en ook voor homo’s geldt dat een zekere inschikkelijkheid als smeerolie helpt om de divers samengestelde samenleving bij botsende grondrechten leefbaar te houden.

Boris Dittrich is directeur seksuele minderheden mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch, New York

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />