*

 

Schattig

Anniek van den Brand − 14/09/09, 00:00

Het lijkt zo vanzelfsprekend: een goede moeder schreeuwt niet tegen haar kind. Totdat op een dag die schattige baby een eigenwijze peuter is geworden.

  • Anniek van den Brand is moeder van twee kinderen.  (Merlijn Doomernik)
    Anniek van den Brand is moeder van twee kinderen. (Merlijn Doomernik)
  • Sensitief (Trouw)
    Sensitief (Trouw)
  • Anniek van den Brand (Trouw)
    Anniek van den Brand (Trouw)

Toen ik jonger was, woonde ik tegenover een gezin met drie kinderen. Iedere ochtend om kwart over acht werd ik gewekt door de overbuurvrouw die met een stem als een scheepstoeter haar kroost richting school dirigeerde. Of Jan vandaag zélf zijn gymtas even uit de gang wilde pakken, of Nienke niet eerder had kunnen zeggen dat ze een lege jampot mee moest nemen voor de knutseljuf en dat Frankie nu toch echt niet langer in zijn trainingsjack op de fiets kon omdat het half november en koud was. Tussen iedere opdracht door hoorde ik buurvrouw smeken of de kinderen als-je-blíeft een beetje wilden voortmaken want nu was het verdorie toch al weer bijna half negen.

Met de arrogante zekerheid dat ik ooit, op een dag, een minder gestresste en veel aardiger moeder zou worden, draaide ik me fijn nog een keer om.

Jaren later keek ik mijn zoon voor het eerst in de ogen. Met dank aan hormonen en ander fijns van moeder natuur wist ik op dat moment zeker dat hij uitsluitend lief en aandoenlijk was en dat zijn hele leven zou blijven.

Een paar weken na de bevalling reed ik hem trots in zijn rode kinderwagen door de stad, liefst vergezeld van een vriendin en haar prachtige meisjesbaby. Vriendin was ervarener in het moederschap: zij had al een dochter van drie.

In de Hema zagen we een moeder met een peuter die uit zijn buggy was geklommen en een meisje van een jaar of vier dat lachend tussen de kledingrekken door rende. De kleinste zette het op een schreeuwen en hield zich tegelijkertijd zo stijf als een plank toen zijn moeder hem terug in het wagentje probeerde te wurmen. Ondertussen keek de vrouw paniekerig rond, op zoek naar haar inmiddels uit zicht verdwenen oudste kind. Met de moed der wanhoop nam ze haar peuter stevig bij beide armpjes, keek hem recht in de ogen, en siste terwijl ze hem op zijn plek plantte: „En nú is het afgelopen.”

Het bloed trok weg uit mijn gezicht. Hoe kón ze, tegen een kínd! Het liefst wilde ik haar aangeven. En hier ter plekke zou ik haar op z’n minst even stevig toespreken. Vriendin hield me tegen. Ze nam me stevig bij beide armen, keek me recht in de ogen en zei met een knik richting onze kinderwagens: „Ze blíjven niet altijd zo schattig!”

Ik kreeg nog een kind. De hippe kinderwagen maakte plaats voor een praktisch exemplaar met twee zitjes, aangezien de oudste amper kon lopen toen nummer twee zich aandiende. Omdat zwangerschapsverloven niet eindeloos duren, vond ik mijzelf op een namiddag gehaast terug in een winkelstraat. Voordat de oppas kwam vanwege een avonddienst, moest ik – snel, snel – luiers aanschaffen, evenals billendoekjes (tien pakken tegelijk in verband met korting) en een paar flessen diksap. Zoon, net twee jaar, wilde natuurlijk net nú heel graag zelf terug naar huis lopen. Ik voelde de minuten door mijn vingers glippen. Geïrriteerd vertelde ik zoon dat hij „Nee!” niet mocht lopen. Geroutineerd gooide hij daarop al het speelgoed uit zijn wagentje.

Voordeel van zoons verzoek: als hij liep, kon ik de kinderwagen deels gebruiken als boodschappenkar. Ik tilde zoon op de stoep – zijn triomfantelijke blik negerend. Ondertussen leegde ik, met het zweet op mijn rug, mijn boodschappentassen in zijn zitje.

Toen ik opkeek, stond zoon op het punt de straat op te schieten. Als ik de kinderwagen losliet zou die, topzwaar van de boodschappen, met dochter en al omkiepen. Ik griste dochter uit haar zitje, rende naar zoon en greep hem in één haal bij zijn jas. Behalve zijn naam, sloeg ik een donderende vloek uit.

Zoon schrok en begon te huilen. Uiteraard zette dochter het van al dat gedoe ook op een schreeuwen. Ik voelde tranen opkomen. Voordat ik zoon kon omarmen, werd ik ruw overeind getrokken door een oudere man. Waar ik wel niet dacht mee bezig te zijn, bulderde hij, schreeuwen tegen een kínd! Hete tranen biggelden over mijn wangen.

Inmiddels dirigeer ik iedere ochtend mijn kroost naar school. Ik verbaas me erover hoe zoon het iedere dag opnieuw voor elkaar krijgt óver zijn schooltas heen te stappen op weg naar de fiets. En nee meisje, ik heb gisteren niet gehoord dat je vandaag een lege jampot mee moest nemen – waar moet ik die nu zo snel vandaan halen? En willen jullie als-je-blíeft een beetje voortmaken want het is verdorie toch al weer bijna half negen.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />