Blijf bewegen, let niet op de pijn. Dat is de strekking van een nieuwe richtlijn voor patiënten met posttraumatische dystrofie. Tot nu toe gold dat bewegen en oefenen juist moesten worden gestaakt, zodra patiënten pijn gingen voelen.
Posttraumatisch dystrofie is een onbegrepen aandoening die kan ontstaan na letsel aan arm of been, bijvoorbeeld een polsbreuk of enkelblessure, of na een operatie. Een vrij onbenullig letsel, zoals kneuzing van de hand, kan al tot zeer ernstige klachten leiden.
In de eerste fase is sprake van ontstekingsreacties, zwellingen, temperatuur- en kleurveranderingen in het getroffen lichaamsdeel. Bij bewegen nemen de klachten toe. Na drie tot zes maanden – in de chronische fase – nemen de ontstekingen af, maar de overige klachten blijven.
Grofweg lijden 20.000 tot 25.000 Nederlanders aan deze ziekte. Jaarlijks komen er 5000 tot 8000 patiënten bij, waarvan 20 procent langdurig met ernstige klachten te kampen krijgt. Posttraumatische dystrofie kan jaren duren en ook tot arbeidsongeschiktheid leiden.
De nieuwe richtlijn, om door de pijngrens heen te blijven oefenen, is gebaseerd op gunstige praktijkervaringen. De kans dat patiënten herstellen blijkt zo groter. De nieuwe behandelmethode, ontwikkelt door artsen- en patiëntenverenigingen, wordt begonnen na de acute fase, die een maand of drie duurt. Volgens Ilona Thomassen, voorzitter van de vereniging van dystrofiepatiënten, vergt de nieuwe aanpak een enorme ommezwaai van de patiënten: „Zet die pijn weg uit je hoofd, richt je uitsluitend op herstel.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.