RECENSIE Wie ben ik? Die vraag is sinds het ontwaken van de mensheid al ontelbare keren gesteld. Meestal proberen we het antwoord in onszelf te zoeken. Wat we van binnen hebben, in het diepst van ons hart, dat bepaalt onze identiteit.
Nee hoor, betoogt de Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe in zijn boek 'Identiteit'. Wie we zijn hangt voor een groot deel af van de omgeving. Identiteit ontstaat uit een wisselwerking tussen een individu en de wereld om hem heen; de omstandigheden waarin we leven zijn van cruciaal belang voor ons innerlijk.
Verhaeghe wil niet beweren dat mensen als onbeschreven blad ter wereld komen. Bepaalde eigenschappen, zoals introversie en extraversie, zijn volgens hem aangeboren. Hiermee zit hij op één lijn met de invloedrijke Amerikaanse psycholoog Jerome Kagan, die in zijn boek 'The temperamental thread' (2010) uiteenzette dat temperament vooral in de genen zit, en dat wie we zijn verder afhangt van cultuur en toevallige gebeurtenissen.
In zijn boek laat Verhaeghe zien hoe de huidige cultuur de vorming van onze identiteit beïnvloedt. De hoofdrol kent hij - enigszins eenzijdig - toe aan het neoliberalisme, dat hij beschrijft als een ideologie die het slagen of mislukken van een individu volledig afhankelijk maakt van de eigen inspanningen. Iedereen moet blijven groeien en presteren, want de competitie is bikkelhard. Wie aan de bodem van het samenlevingsvat blijft kleven, is er niet in geslaagd zijn talenten optimaal in te zetten en verdient geen mededogen, maar afkeuring.
Verhaeghe spreekt van de 'Enron-maatschappij', naar het inmiddels failliete Amerikaanse energiebedrijf. Aan het eind van de vorige eeuw voerde de directie daar het rank and yank-systeem in: werknemers waren geen collega's meer, maar concurrenten. Ze werden continu beoordeeld, en jaarlijks kwam er een afrekening. De beste twintig procent kreeg een vrachtlading bonussen en een promotie. De slechtste tien procent werd eerst publiekelijk vernederd met een foto en verhaal over hun mislukking op de bedrijfswebsite en vervolgens ontslagen.
Dit systeem leidde overigens allerminst tot topprestaties, onderstreept Verhaeghe. Wel tot fraude: werknemers begonnen massaal te liegen over hun prestaties, er werd geknoeid met de cijfers en de tent ging bankroet.
Volgens Verhaeghe zijn westerse samenlevingen als de Nederlandse en Belgische tegenwoordig een soort Enron, maar dan in het groot. Ook in onze cultuur 'ranken en yanken' mensen er op los. De rijken worden elk jaar rijker, terwijl het aantal armen al jaren toeneemt. Universiteiten zijn geen plekken meer voor intellectuele bezinning, maar bedrijven waar werknemers worden afgerekend op hun productie in vakbladpublicaties en binnengehaalde onderzoeksgelden. Verhaeghe vertelt over een collega die werkt in een Vlaams ziekenhuis waar alle psychiatrische bedden vervangen zijn door 'cardiobedden'. Niet omdat er veel meer hartpatiënten zijn dan mensen in psychische nood, maar omdat de cardiobedden drie keer zoveel geld opbrengen.
Dit alles heeft zijn weerslag op het individu. Jongeren worden hyperindividualistisch: geheel volgens neoliberaal ideaal draait alles om hun kans op succes en rijkdom. In het interessantste deel van 'Identiteit' linkt de auteur deze ratrace aan de toename van het aantal psychische aandoeningen. Hij besteedt uitgebreid aandacht aan onderzoek waaruit blijkt dat in een samenleving met veel ongelijkheid meer mensen ziek worden. Zelf arm zijn, of niet mee kunnen komen in een cultuur vol flitsende rijke mensen, geeft een hoge kans psychisch leed.
Net als Trudy Dehue in haar boek 'De depressie-epidemie' observeert hij vervolgens dat een psychiatrische diagnose voor mensen die niet meekomen in de Enron-maatschappij een opluchting is: "Ik heb niet gefaald, ik ben ziek, en daar kan ik niets aan doen." De enige oplossing voor al dit leed is volgens de Vlaamse psycholoog dat we collectief gaan inzetten op een evnwichtiger en gelijkwaardiger samenleving. Verhaeghes boek biedt een interessante analyse van de gevolgen die de 'Enron-maatschappij' heeft voor onze identiteit. Helaas is hij geen bevlogen verhalenverteller, waardoor het betoog nergens echt tot leven komt. Bovendien raakt in de eerste hoofdstukken de rode draad regelmatig zoek doordat hij een lange stoet van tamelijk willekeurige filosofen en economen laat opdraven. Wie daar doorheen weet te ploegen, wordt in het tweede deel evenwel beloond met waardevolle inzichten over wat het neoliberalisme betekent voor ons zelfbeeld.
Paul Verhaeghe: Identiteit. De Bezige Bij, Amsterdam; 270 blz. € 19,90
© 2013 - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.