Wat een sereen beeld schetste ik, van het innerlijk stukje grond dat ik het ware thuis noemde van de schrijver in mij. Alsof daar de stilte van het heelal heerst.
In werkelijkheid discussieer ik er aan de lopende band met mijn secondanten. Ik zie ze helemaal voor me, die twee: Censor een ijzeren robotvogel die zich met scherpe klauwen op mijn schouder posteert; Neanderthaler in zo'n berenvellenjurk met een knots in zijn knuist. Samen proberen zij – met de beste bedoelingen - de dienst uit te maken in mijn schrijfhuis.
Neanderthaler wil voorkomen dat ik mijn veilige stenen grot verruil voor een fictioneel luchtkasteel. Zodra ik de computer aanzet, klinkt zijn boerse, bezorgde stem: "Ben je niet te moe?" "Doe eerst even de afwas! " "Denk je er aan dat Jantje jarig is en dat Pietje naar de tandarts moet?" Of: "Ga lekker de stad in." "Neem toch een wijntje."
Gelukkig heeft Neanderthaler het brein van een holbewoner. Ik leid hem makkelijk om de tuin met: "Nee joh, ik schrijf niet. Ik doe een oefeningetje. Ik type maar een beetje. Dit is geen schrijven, dit is mijn dagboek. Niets aan de hand, mijn beste Nee."
Censor is van een ander kaliber. Puur intellect, en keihard in zijn oordeel. Direct bij mijn eerste zin krast hij in mijn oor: "Is dat goed gespeld? Kun je dat zo formuleren? Is dat geen afgezaagd thema? Ben je gek om daarover te schrijven?"
Hij wil me voor falen behoeden. Daartoe gebruikt hij alle kritiek die er in mijn leven over me is uitgestort, bijvoorbeeld door de handwerkjuf, mijn LOI-docent, zo'n opwekkend Nederlands schrijfboek, kwaaie opvoeders‿ (Sloddervos! Stijlfout! Schrappen! Schaam je!)
Ik mep hem van mijn schouder. Zonder Censor kan ik niet, maar ìk zal bepalen wanneer hij zijn zegje mag doen.
Kop dicht, allebei. Stilte in mijn schrijfhuis!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.