*

 

Jan Siebelinks gymnasium: inferno, jungle, slangenkuil

Iris Pronk − 25/09/08, 20:48

Na het verpletterende succes van ’Knielen op een bed violen’ (2005) schreef Jan Siebelink (70) in stilte een nieuwe roman. Niet over zijn vader en de kwekerij, maar over de keiharde ’jungle’ van de school. Het is misschien zijn laatste boek.

Straks durf ik niet meer, dacht Jan Siebelink, schrijver van ’Knielen op een bed violen’. Straks verlamt de roem me en zet ik nooit meer een pen op papier.

Om die angst te bezweren deed hij in 2006 wat niemand wist en ook niemand verwachtte: hij schreef in tien maanden tijd ’Suezkade’, de kloeke roman die vanaf vandaag in de winkels ligt.

Niemand vroeg hem naar nieuw werk, vertelt de schrijver met een glimlach in de lounge van Groot Warnsborn, een Gelders landgoed waar hij graag de pers ontvangt. „Mensen dachten waarschijnlijk: hij heeft het veel te druk.”

Het wás ook het drukste jaar van zijn leven: Siebelink gaf honderden lezingen van Meppel tot Maastricht, ontmoette duizenden lezers die zo diep waren getroffen door ’Knielen’ dat ze de schrijver het liefst wilden aanraken. De zegetocht van zijn roman, waarvan inmiddels 540.000 exemplaren zijn verkocht, duurde vaak tot diep in de nacht.

Toch kroop Siebelink elke ochtend om zes uur achter zijn typemachine (een ouderwetse nog). Zijn slapeloosheid –’ik slaap al jaren nauwelijks’– én zijn arbeidsethos hielden hem op de been. „Ik kan natuurlijk lekker wandelen en nog meer mooie kleren kopen”, zegt de schrijver, die bekend staat om zijn voorliefde voor dandyeske pakken en die deze dag prachtige, soepele, roodleren schoenen draagt. „Maar dat alleen is niet genoeg. Ik moest nog iets doen.”

Dat ’iets’ werd een roman en toen die af was maakte Siebelink er vijf kopieën van, die hij bewaarde in zijn auto, garage en huis. Maar hij liet het manuscript aan niemand lezen, hield het bestaan van het boek stil. Het was nog te vroeg, dacht de schrijver, die zijn lezers bijna drie jaar lang met een innemende vriendelijkheid heeft omarmd: „De mensen waren nog zo met ’Knielen’ bezig.”

Maar nu is daar ’Suezkade’, een verfijnde en meeslepende roman over een ander belangrijk deel van Siebelinks leven: de middelbare school. Meer dan dertig jaar was hij leraar Frans, korte tijd op een mavo in Dieren, daarna op het Marnix College in Ede. Zijn ervaringen daar verwerkte hij al eerder, onder meer in zijn eerste roman ’Een lust voor het oog’ (1977) en in de verhalenbundel ’Laatste schooldag’ (1994).

In zijn oeuvre, dat uit ruim dertig titels bestaat, zijn twee ’stromen’ te ontdekken, legt Siebelink uit. De eerste leidt altijd weer terug naar de kwekerij en het zware geloof van zijn vader, die de lezers zo goed kennen uit het niet te overtreffen ’Knielen’. De tweede reeks motieven is verbonden aan de school en vooral aan het docentencorps.

Siebelink-kenners weten het: zijn school is geen veilige of fijne plek, maar een ’jungle’, een slangenkuil waarin leraren strijden om de macht. Om de leerling bekommeren zij zich nauwelijks, om ware kennis of de schoonheid van literatuur evenmin.

De docenten –ook de geleerde en gedoctoreerde– jagen hun eigen, vulgaire behoeftes na. Ze vergrijpen zich aan gokkasten, jonge meisjes of de vrouw van een collega, ze brengen het collectegeld voor Afrika naar de hoeren, en gaan over lijken voor een baan als conrector. Collega’s die geen orde kunnen houden, worden openlijk geminacht en tijdens rapportvergaderingen ’levend gevild en vervolgens opengesneden’.

Met z’n allen houden zij intussen wel de illusie van collegialiteit in stand: zieke collega’s krijgen direct een mooi boeket, leraren bezoeken elkaars verjaardagsfeestjes. Die illusie betovert in eerste instantie ook de jonge, rijke en dandyesk geklede docent Frans Marc Cordesius, de hoofdpersoon van ’Suezkade’.

Marc krijgt op het Descartes Gymnasium twaalf lesuren, op zijn uitdrukkelijke verzoek verspreid over vijf werkdagen. Hij wil zich helemaal geven aan de school en de Franse literatuur, hij wil zich laven aan de docentengemeenschap, waarvan hij hoge verwachtingen heeft. Zijn collega’s omhelzen Marc in het begin gretig, de vrouwelijke docenten willen met hem naar bed, de mannen zoeken zijn vriendschap.

Maar dan zet, als in een klassiek drama, Marcs ondergang in. Katalysator daarin is Najoua, een Marokkaans meisje voor wie Marc op de allereerste schooldag een diepe, onvoorwaardelijke en vooraleerst aseksuele liefde opvat. Die liefde en hun intensieve omgang zijn ongehoord, vinden zijn collega’s.

Ze gaan zich al gauw ook aan andere dingen storen: Marc sluit vriendschap met de verkeerde want impopulaire collega’s, hij draagt te mooie kleren, hij schrijft ook te mooi, hij houdt zich niet aan protocollen, onttrekt zich aan sectievergaderingen en handelingsplannen, leest liever het werk van de grote Franse schrijvers. Het loopt in de roman niet goed met hem af.

Anders dan ’Knielen op een bed violen’ is ’Suezkade’ geen semi-autobiografie maar fictie, benadrukt de schrijver; een roman met een knipoog naar de decadente fin-de-siècleschrijver Joris-Karl Huysmans (1848-1907), van wie Siebelink vroeger werk vertaalde. Maar voor Marcs tragedie op het Descartes Gymnasium heeft hij wel royaal uit eigen leven geput.

Siebelink was zelf ook een buitenstaander op het Marnix College: populair bij de leerlingen, genegeerd door een deel van zijn collega’s. De spanningen begonnen toen zijn eerste boek ’Nachtschade’ (1975) verscheen, zegt de schrijver: „Als ik door de gangen liep, dook een derde van mijn collega’s weg in een nis om me maar niet te hoeven groeten. Eenderde vond het wel leuk dat ik schreef en vroeg me soms om een boek te signeren. En de rest was onverschillig.”

Die drie kampen bleven intact, zijn hele schoolcarrière lang. „Er waren geen overlopers.” Hij vond soms nare briefjes in zijn postvak, voelde dat collega’s over hem roddelden. „Dan kwam ik de lerarenkamer binnen en stokten alle gesprekken.” Als schrijver had Siebelink zich buiten de orde van de school geplaatst en al gauw trok hij zich, net als zijn hoofdpersoon Marc, ook fysiek terug, in een verloederd noodlokaal. „Het ritselde er van de muizen.”

Hij heeft zich eenzaam gevoeld op school, zegt Siebelink, die zichzelf beschrijft als van nature heel sociaal. „Ik raakte langzamerhand vervreemd. Dan dacht ik tijdens een borrel: met wie moet ik nou praten?” Er waren meer dieptepunten: de novelle ’Ereprijs’ (later opgenomen in ’Laatste schooldag’) die hij op verzoek van de rector voor het schooljubileum schreef, werd in tweede instantie toch geweigerd. En één keer sloeg Siebelink, in blinde woede en net als hoofdpersoon Marc Cordesius, een treiterige collega in elkaar.

Toch voelde hij zich op het Marnix College ook wel lekker, zegt Siebelink. Onder meer dankzij de leerlingen, die hem eens een steunpetitie hebben aangeboden, ondertekend door de hele klas. Lesgeven heeft hij altijd leuk gevonden. En na schooltijd lonkte zijn schrijftafel. „Ik had de troost van de literatuur.”

Aan die literatuur heeft hij nu dus ’Suezkade’ toegevoegd. Een boek dat in thematiek wel van ’Knielen op een bed violen’ verschilt, maar toch een echte ’Siebelink’ is, al was het maar vanwege de elegante, gevoelige stijl waarin hij het inferno van de school en de romantische neergang van zijn held beschrijft. De roman moet overigens niet als ’afrekening’ worden beschouwd, wil Siebelink nog zeggen: „Ik voel geen wrok. Ik vertel alleen maar.”

Heeft de schrijver hiermee de school gesloten? Of werkt hij alweer in stilte aan een volgende roman? Ach nee, zegt Siebelink, die voor de komende maanden een moordend druk programma van lezingen en interviews heeft. „Misschien is dit wel mijn laatste boek. Ik ben innerlijk te moe, het kost me moeite om het overzicht te bewaren, een roman lang de juiste toon te handhaven.”

Niet dat hij hier nu zijn definitieve pensioen wil aankondigen: wie weet schrijft hij nog wel eens een novelle. Al is dit, zegt Siebelink, met een klopje op de gebonden uitgave van ’Suezkade’, die slechts een fractie dunner is dan ’Knielen’, misschien wel een mooi einde.



Morgen in de boekenbijlage de recensie van ’Suezkade’

mailIcon print |