*

 

Altijd wel wat ruzie in de klas

Jos Palm − 11/10/08, 00:00

De historicus Jan Romein roemde 75 geleden al het vermogen van Nederlanders tegenstellingen te pacificeren. Auteurs van drie recente boeken tonen zich eveneens redelijk tevreden met de vaderlandse geschiedenis: in het algemeen deden we het niet onaardig. Al waren onze voorouders niet louter braaf – ze muntten ook uit in ruzie en twist. Een recensie aan de vooravond van de Week van de Geschiedenis.

  • (\N)
  • (\N)

Het probleem met de vaderlandse geschiedenis is eigenlijk nooit helderder onder woorden gebracht dan in 1934. In dat jaar concludeerde de marxistisch historicus Jan Romein dat Nederland nooit van ons allemaal was geweest.

Ten tijde van ’De Republiek’ (zestiende tot en met de achttiende eeuw) eigenden oligarchische regenten of steile calvinisten zich het vaderland toe. In de tijd van het latere democratische koninkrijk was het land al even verdeeld, zo niet verdeelder. Nederland was van de protestanten in alle soorten en maten, van de liberalen, van de katholieken voor zover het mocht van de paus, en van de socialisten, die het vaderland nog wel eens wilden delen met de arbeidersklasse over de grens. Romein stelde deze treurige historische waarheid vast in een boek dat het euvel zou moeten verhelpen, ’De lage landen bij de zee’, een werk dat hij samen met zijn vrouw Annie schreef, en dat jarenlang gold als het handboek voor de vaderlandse historie.

De Romeins schreven hun bestseller, zoals ze zelf zeiden, om hun ’ondoordachte internationalisme’ te nuanceren en om Nederland in zijn bange dertiger jaren met terugwerkende kracht eenheid te geven, door zijn geschiedenis. Deze leerde namelijk dat ondanks alle verschillen in stand, geloof en klasse er wel degelijks iets bestond dat de landgenoten verenigde.

Dat was er niet altijd geweest, het was zogezegd gegroeid. Nederland was stap voor stap voorwaarts gegaan, nieuwe klassen hadden er niet hinderlijk het voortouw genomen, veeleer hadden ze het op een onopvallende wijze gedaan -– op zijn Joop Zoetemelks, zouden we nu zeggen, door het peloton uit te muizen, zoals bij zijn wereldkampioenschap in 1985. Nederland was, anders gezegd, het resultaat van historische vooruitgang en van een bepaalde mentaliteit; in sporttermen vertaald: niet zozeer een killerinstinct, maar een wat gezelliger spelopvatting tekende het land achter de dijken. Nederlanderschap, aldus de Romeins, vereiste een bepaalde kwaliteit: een soort anonieme en bescheiden zelfexpressie, met behoud van eigenheid.

Die kwaliteit bond verstandige protestanten en andersgezinden van welke richting dan ook, zonder dat ze het zelf wisten. Ze preludeerden als het ware op de ontwikkelingsgang van de geschiedenis die van rangen en standen ’een volk’ maakte. Zo werkte het historische proces nu eenmaal, dat niet toevallig in het dichtbevolkte en stedelijke Nederland aanving met een soort maximale verkleining van de klassentegenstellingen, het hoogst bereikbare in de burgerlijke fase van de geschiedenis.

Het knappe van het boek van de Romeins was dat het een probleem stelde en het ook oploste: de sociaalideologische posities verdeelden de Nederlanders, maar in hun ideaal van omgangsvormen werden ze min of meer één. Problem erledigt, op zijn marxistisch -- hoewel de analyse ook weer niet zo exclusief was, ook burgerlijke geschiedschrijvers als Huizinga hadden Nederland als een gematigde uitzondering beschreven.

Nu het, dankzij onze identiteitscrisis, alweer een aantal jaren vaderlandse geschiedenissen regent, is het een mooi moment om met het standaardwerk van de Romeins in het achterhoofd te kijken naar de hedendaagse nationale histories. Want de natie vraagt bij monde van de media en opinieleiders om verhelderende en bij voorkeur richtinggevende geschiedenissen in het spoor van de Romeins. Onlangs verschenen twee werken van handboekachtige omvang: ’Verleden van Nederland’ (het boek bij de televisieserie) onder redactie van Geert Mak en René van Stipriaan, en ’Een bijzonder land. Het grote verhaal van de vaderlandse geschiedenis’ van historicus Han van der Horst. Daarnaast brachten vader en zonen Blokker een in titel wat eigenzinnig overzichtsboek uit: ’Nederland in twaalf moorden’ (met ook een gelijknamige televisieserie). Hoe verhouden deze uitgaven zich nu tot wat we maar even noemen de wet van Romein, dat de Nederlandse geschiedenis een probleem is weliswaar, maar een oplosbaar probleem, dankzij het vaderlandse vermogen tot pacificatie?

Allereerst is duidelijk dat het huidige kibbelende tijdsgewricht de geschiedschrijvers niet onberoerd laat. De zogenoemde intrinsieke pacificerende kwaliteit van de vaderlandse historie wordt door niemand meer als vanzelfsprekend opgevat. Het kan niet anders of de straatpolarisatie sinds Fortuyn moet daaraan debet zijn, naast natuurlijk allerlei historiografische nieuwe inzichten.

De Blokkers nemen de gemanifesteerde onverdraagzaamheid zelfs als uitgangspunt voor hun geschiedschrijving. ’Afkeer van het vreemde, intolerantie en hysterie’ horen evenzeer bij ons als de bekende en veelbezongen goede ’eigenschappen’. Zo bewijzen de Friezenmoord op Bonifatius in 754, de lynchdood van de gebroeders De Witt in 1672 en de hooligandood van ajaxied Carlo Picornie in 1977, schrijven ze in een boek dat prikkelende voetnoten zet bij ons complimenteuze zelfbeeld, maar het niet wezenlijk aantast.

Anders dan Romein -- de piekermarxist die met terugwerkende kracht het zonnetje in huis wordt -- staan ook de auteurs van ’Verleden van Nederland’ langdurig stil bij de nationale tekortkomingen. Nederland mag dan wel burgerlijk en braaf zijn geweest, schrijven ze, maar in ruzie en twist waren onze voorouders ook goed. En ze noemen: ’de uiterst bloedige oorlog die volgens de schoolboekjes zelfs tachtig jaar duurde’, ’het aanhoudende krijgsbedrijf’ nadien (bedoeld worden kennelijk de deelname van de latere Willem II aan Waterloo in 1815 en het oorlogje met de zich afscheidende Belgen in 1830), en ’de voortdurende gewelddadigheden in de koloniën’ (die inderdaad onbetwistbaar zijn, maar waar ook van moet gezegd, dat bijvoorbeeld ’de pacificator’ Van Heutsz geweld gebruikte ter preventie van grootschalige ontsporing).

Han van der Horst voegt op zijn beurt op eigen wijze wat mitsen en maren toe aan het beeld van de ruzieloze schoolklas Nederland. Als we aannemen dat het ontstaan van de natie nauw verbonden is met de Tachtigjarige Oorlog, dan begon de politieke verzelfstandiging op een Taliban-achtige wijze, namelijk met ’een wraakroepend exces van religieus fundamentalisme’, ofwel met de Beeldenstorm van 1566, die het eigenlijke startschot bleek voor De Opstand. „De daders en organisatoren hadden met deze actie afdoende bewezen hoe het stond met hun geest van tolerantie”, schrijft Van der Horst, die het Smeekschrift uit hetzelfde jaar -- de petitie van lage adel ten bate van religieuze tolerantie -- met veel slagen om de arm ’een soort vroege voorafschaduwing van de mensenrechten’ noemt.

En precies daar wordt helder waar Van der Horst staat. Er bestond vroeger, net als nu, heel veel narigheid in het land, maar ’we’ waren uiteindelijk een niet onprettig volkje, dat het beste ervan probeerde te maken, en dat in het openbaar liever de geest van Erasmus als maatstaf nam dan die van Calvijn. Een gelijke conclusie trekken ook de auteurs van ’Verleden van Nederland’, die erop wijzen dat men in ons land telkens weer betrekkelijk adequaat en soms zelfs zeer handig inspeelt op grote gebeurtenissen en ontwikkelingen in het buitenland. Niet het dwangmatige marxistische abracadabra van de Romeins, maar historisch toeval en geluk bleken de motor van onze tot op heden redelijke geschiedenis, die altijd het gevaar loopt in onredelijkheid te vervallen -- zie bijvoorbeeld de politieke Oranje-executie van raadspensionaris Oldenbarnevelt in 1619, en zie het rijtje van de Blokkers, die in een interview zeiden bij het volksgekrakeel op het Binnenhof na de moord op Fortuyn een soort De Witten-aha-Erlebnis te hebben gehad.

Overigens blijken de prestaties in de vaderlandse historie niet uitsluitend een eigen verdienste. Zowel Van der Horst als de auteurs van ’Verleden van Nederland’ laten zien hoe humanisme, de roep om godsdienst- en gewetensvrijheid, en Verlichting Europese ontwikkelingen zijn, die in ons land een eigen praktische en verstandelijke, lokale invulling krijgen. Alleen in de twintigste eeuw lijkt Nederland niet veel te kunnen met de wereldgeschiedenis, zeker niet wanneer deze hier in 1940 binnen komt marcheren. Met Napoleon had men dankzij de ’Code de commerce’ en de ’Code pénal’ nog wel wat aan kunnen vangen, met Hitler kon men niets.

Alles welbeschouwd zijn noch Van der Horst, noch de auteurs van ’Verleden van Nederland’ ontevreden met de vaderlandse historie (de Blokkers zijn brommeriger gestemd, wat ook aan de opzet van hun boek ligt). Er waren veel gebreken, de verlichte toejuiching van het instituut slavernij bijvoorbeeld, maar uiteindelijk blijkt de ’pacificerende kwaliteit’ de rode draad in onze geschiedenis. Niet dankzij onze mooie inborst, maar dankzij de omstandigheden deden ’we’ het in het algemeen niet onaardig. Diezelfde omstandigheden maakten liberalen, protestanten, katholieken en socialisten op den duur tot burgers die iets deelden: het besef dat de soep achter de dijken niet zo heet gegeten werd als elders.

De omstandigheden. Ze mogen voldoen als verklarende historische categorie. Maar eigenlijk zit de samenleving te wachten op een geschiedschrijving à la Romein die – desnoods op dialectisch materialistische wijze – een zonnige toekomst garandeert. Zijn brave Hollandse beschaving als hoogste fase van het burgerlijke kapitalisme, we zouden er nu voor tekenen. ’Onthoudt dat gij geboren zijt in ’t soet Nederland, blijf zijn gedachte trouw, en wijk er niet van af’, schreef hij in 1940. Dat ’soet Nederland’, weten we nu, is op zijn minst ook een toevalstreffer.

mailIcon print |