Waarin onderscheidt Wilders zich, als spreker, van andere politici? Het is dit jaar tweemaal uitgeplozen: eerst door een Leidse taalkundige en nu door twee vakgenoten uit Utrecht, die in Onze Taal verslag uitbrengen.
Hun bevindingen verdienen wijdere verbreiding. Wie er weet van heeft, luistert allicht wat kritischer naar Wilde Geert. Een selectie uit de stijltrucs waarin hij excelleert:
* Overdrijving. Eén mallotige schooldirectie neemt afscheid van de kerstboom en Wilders ziet – in ’Het Elfde Uur’, deze week – ’onze dochters en kleindochters’ al gehoofddoekt rondlopen.
* De ik-vorm. Spreken andere politici geregeld namens hun partij of fractie, bij W. is opvallend vaak het eigen ik aan het woord.
* Beledigingen. Voorlopig dieptepunt: de kopvoddentaks. Bij Knevel beschimpte hij dinsdag Jeltje van Nieuwenhoven, lijsttrekker in Den Haag, als afgevaardigde van ’het politbureau van de PvdA’.
* Concrete voorbeelden. Niet: autochtonen financieren de voorzieningen voor allochtonen, maar: Henk en Ingrid betalen voor Mohammed en Fatima.
* Quasi-feiten. Terwijl andere Kamerleden vaak zeggen dat ze een mening formuleren, vermomt W. zijn opinies om de haverklap als onomstotelijk vaststaande feiten. Hij vindt het kabinetsbeleid niet ondeugdelijk, nee, het is ’ronduit bagger’.
* Voorspellingen van rampspoed. „Als wij de islamisering niet stoppen, zijn Eurabië en Nederrabië slechts een kwestie van tijd.”
* Oorlogsretoriek. De islam is het paard van Troje. Miljoenen Nederlanders dreigen er het slachtoffer van te worden, maar het kabinet blaast, onder aanvoering van Jan Peter Chamberlain, de aftocht; alleen de PVV capituleert nooit.
Wat de belangstellende toehoorder in Wilders’ heldere taal vergeefs zoekt, zijn bewijsgronden voor zijn onheilslitanieën. Op argumentatie scoort hij, om de politicoloog André Krouwel te citeren, ’extreem laag’. Zijn teksten mogen taalkundigen wat te verhapstukken geven, de logicus die er z’n tanden in zet, bijt doorgaans op gebakken lucht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.