*

 

’Adriana was de grootste crimineel’

Co Welgraven − 24/10/09, 00:00

Bart Middelburg (1956) is redacteur van Het Parool.

’Dit boek gaat over één van de zwaarste gevallen van collaboratie in de Tweede Wereldoorlog. Adriana Valkenburg heeft zeker vijftig mensen bij de Duitsers verraden, sommigen schatten zelfs het dubbele. En minstens 33 mensen zijn door haar toedoen omgekomen in de concentratiekampen. Toch kent vrijwel niemand haar naam, in het standaardwerk van Loe de Jong komt ze niet voor. Ik vond het hoog tijd haar levensverhaal een keer op te schrijven.

Haar bijnaam was Jeanne de Leugenaarster, ze loog alles bij elkaar. In de jaren twintig en dertig zat ze in de Amsterdamse penoze, ze was een hoerenmadam, een intrigante die allerlei gedaantes kon aannemen, een femme fatale. Ze heeft een paar veroordelingen gekregen wegens mishandelingen en illegale abortus, maar ze pleegde ook berovingen en chantage. Het was een vreselijk wijf.

In de oorlog speelde ze een spelletje met de Duitsers. Ze gaf namen en adressen van onderduikers door, verraadde Joden, maar hield ook spullen van hen stiekem achter. Valkenburg was geen antisemiet, ze had relaties met Joodse mannen, zoals ze trouwens ook een relatie met een Duitser had. Ze was evenmin nationaal-socialist: politiek was ze een onbenul, ze kon amper een brief schrijven.

Wat was dan wel de achtergrond? Ik moet me verlaten op psychiaters die haar na de oorlog hebben onderzocht, die grijpen allemaal terug op haar jeugd. Valkenburg kwam uit een gezin van veertien kinderen uit Schiedam. Dat gezin was een verschrikking. De kinderen hielden zich bijvoorbeeld staande door elkaar te verraden. Daardoor heeft ze een psychisch defect opgelopen waardoor ze ook bang was voor dieper menselijk contact. Dat defect is haar later opgebroken: toen ze in ‘43 werd opgepakt door de Duitsers en werd gedwongen tipgeefster te worden, werd die intrigante in haar weer volop actief.

Ze is na de oorlog wegens verraad ter dood veroordeeld. Uiteindelijk is die straf omgezet in levenslang. Bij de verzoeken tot gratie is ze psychisch onderzocht, die rapporten heb ik gebruikt voor mijn boek. Verder heeft een celgenote ooit een roman over Valkenburg geschreven, dat boek is nooit uitgegeven. Voor het overige was ik afhankelijk van archieven.

Ze is in februari 1968 overleden. Dat ik niet met haar heb kunnen praten, heb ik niet gemist. In de verhoren na de oorlog heeft ze alles ontkend, terwijl de bewijzen tegen haar hoog lagen opgetast. Gesprekken met haar zouden niets hebben toegevoegd, het was zo’n berekenend loeder.

Dit boek zit al twintig jaar in m’n hoofd, ik stuitte op Valkenburg toen ik destijds met een collega artikelen en een boek over een andere crimineel uit de jaren dertig schreef. Maar het kwam er nooit van om haar verhaal op papier te zetten. Begin dit jaar dacht ik: nu moet het maar eens gebeuren. Ik heb drie maanden onbetaald verlof opgenomen, en was na zes weken al klaar. Het ging zo goed dat ik me begon af te vragen of het wel goed ging. Ik heb er thuis aan gewerkt, zonder de druk van mail en telefoons. Het was heerlijk om te doen.

Er wordt nogal eens meewarig gedaan over de Amsterdamse penoze vlak voor de Tweede Wereldoorlog: ach, wat stelde het nou allemaal voor, het was toch eigenlijk onschuldig. Maar bij het onderzoek voor dit boek is me opnieuw opgevallen dat een aantal van die zogenaamd kleine criminelen in de oorlog tientallen mensen de dood in hebben gejaagd. Zo bezien was Adriana Valkenburg een veel grotere crimineel dan alle Bruinsma’s, Mieremets, Kleppers en Holleeders bij elkaar.’

mailIcon print |