*

 

Het was een echte Duitse revolutie

Beatrice de Graaf − 07/11/09, 00:00

Was de Wende de uitkomst van diplomatiek overleg tussen Oost en West, zoals sommige historici beweren? Of was het een revolutionaire beweging van binnenuit, zoals andere schrijvers stellen? Beatrice de Graaf houdt het op het laatste. Met dank aan de kerken.

  • 11 november 1989, twee dagen na de val: Oost-Duitse grenswachten kijken door een gat in de Muur. (Trouw)

De val van de Muur was al een historische gebeurtenis op het moment dat hij plaatsvond. Meestal realiseren we ons pas een paar jaar later, of nog langer daarna, dat een periode ten einde ging. Geschiedenis wordt vaak pas achteraf geconstrueerd.

Maar dat was op 9 november 1989 anders. Toen wist iedereen meteen dat dit een Grootse Gebeurtenis was. We hoeven maar even een stukje filmopname van twintig jaar geleden te zien, van de duizenden Oost-Duitse burgers die huilend van geluk over de Bornholmer Brücke stroomden en elkaar in de armen vielen van verwondering, om zelf ook een brok van ontroering te moeten wegslikken. Hier hoeft niets opgelegd of uitgelegd te worden.

Maar historici zouden historici niet zijn als ze twintig jaar na dato toch niet een hele serie controverses zouden uitvechten rond dit historische geluk. Omdat het allemaal zo snel en onverwacht ging, zonder bloedvergieten en zonder bijltjesdag voor de Oost-Duitse machthebbers, loopt de verwerking en de duiding van de ineenstorting van de DDR nog steeds lang achter de feiten aan. Een greep uit de groslijst van publicaties over de twintig jaar Mauerfall en het einde van de DDR maakt dit duidelijk.

Er wordt vooral heftig gedebatteerd over de vraag hoe we de gebeurtenissen van die hete herfst in 1989 nu moeten definiëren. We hebben het twintig jaar lang vooral over ’die Wende’ gehad, een begrip dat door de toenmalige machthebbers van de Oost-Duitse communistische partij, de SED, werd geïntroduceerd. Egon Krenz, de communistische kroonprins die op 18 oktober 1989 partijchef Erich Honecker tot ziekenhuispatiënt verklaarde en zelf vervolgens op 4 december weer opzij werd geschoven, hanteert dit eufemisme in zijn onlangs verschenen memoires, ’Gefüngnis-Notizen’, nog steeds. Want een eufemisme, dat is het. ’Wende’ betekent niets meer dan koersverandering. Het was in 1989 een verlate poging van de partijleiding om zelf de touwtjes in handen te houden.

Nu gebruiken oude communisten zoals Krenz het begrip om zelf het historische krediet voor het wonder van 1989 op te eisen. Krenz weigert ook om over ’de val van de Muur’ te spreken. Volgens hem was de grensopening op 9 november een bewuste geste van de partijleiding die het eigenlijk altijd al goed met het volk voor had gehad, alleen had dat volk dat helaas zo slecht in de gaten.

Krenz’ zienswijze kunnen we als beginnende dementie afdoen. Maar hij krijgt onbedoeld ondersteuning van historici die de rol van de Oost-Duitse machthebbers opwaarderen door de val van de Muur en de ondergang van de DDR vooral als uitkomst van diplomatieke druk en onderhandelingen tussen staatslieden en regeringsleiders af te schilderen. In dat proces worden Krenz, zijn opvolgers Hans Modrow en Lothar de Maizière als Oost-Duitse politici beschreven die weliswaar verzwakt, maar toch vol van goede bedoelingen, samen met de West-Duitse Kanselier Helmut Kohl, hun Sovjet-Russische leider Michail Gorbatsjov en de overige geallieerde spelers (zoals de Amerikaanse president George Bush sr.)) de ontmanteling van de DDR in goede banen leidden. Gorbatsjov en Krenz cs. krijgen in deze lezing van de gebeurtenissen lof toegezwaaid omdat ze het leger niet inzetten en het vuur niet op de demonstranten en vluchtelingen openden.

Nu is met name het staatsmanschap van Kohl en George Bush sr. ook hoog te prijzen. Andreas Rödder beschrijft in ’Deutschland Einig Vaterland’ keurig hoe zij de kans op Wiedervereinigung meteen zagen en grepen toen die zich voordeed. De West-Duitse sociaal-democraten stonden op dat moment nog beteuterd naar de brokstukken van de Muur te staren en hadden niet door welk window of opportunity er net was opengegaan. En ook Gorbatsjov verdient lof voor de moed waarmee hij zich tegen revanchistische geluiden vanuit het militaire en veiligheidsapparaat verzette en de DDR-bevolking aan de greep van het Warschaupact liet ontsnappen. Maar we vergeten hierbij dat deze machthebber slechts reageerde op de economische crisis in eigen land en op de hervormingsdruk die in Polen al sinds het begin van de jaren tachtig was opgelopen.

Om een beter inzicht in het revolutionaire karakter van de herfst van 1989 te krijgen, kan men daarom beter het boek van Ilko Sacha Kowalczuk, ’Endspiel’, of de studie van Ehrhart Neubert, ’Unsere Revolution’, lezen. Zij geven het beestje de naam die het verdient: het was een heuse revolutie. Weliswaar een vreedzame, en geen gewelddadige – niemand is gelyncht en er zijn geen koppen gerold – maar dat doet aan het revolutionaire karakter van de demonstraties en de daaropvolgende totale ontworteling van het DDR-systeem niets af. Beide boeken zijn door twee voormalige DDR-burgers geschreven, van wie er één (Neubert) als dominee en dissident zelf meeliep in de protestdemonstraties tegen de partijleiding. Ze zijn er gelukkig goed in geslaagd om de voordelen van het ooggetuige-zijn met de ambachtelijke en gedistantieerde methode van de historicus te verbinden.

Kowalczuk en Neubert maken op meeslepende wijze duidelijk hoe het al vanaf het begin van de jaren tachtig gistte en gaarde in het Oostblok, ook in de DDR. Vanuit de kerken, de alternatieve kunst- en muziekscene ontstond een tegenbeweging die de DDR wilde hervormen. Nieuw is ook de aandacht die Kowalczuk en Neubert geven aan de regionale dimensie van de oppositionele beweging. Dat bleek toen in oktober op 171 plaatsen in de DDR demonstraties en oploopjes ontstonden.

Die regionale invalshoek zien we ook terug in de vele nieuwe documentaires over de friedliche Revolution. Tot voor kort domineerden vooral mediabeelden van Oost-Berlijners die de grensovergangen overspoelden en op de Muur dansten. Dat was logisch, want filmmateriaal uit de provincie was er bijna niet. Het heeft heel wat zoek- en speurwerk gekost om filmpjes en verslagen over de demonstraties in kleine plaatsjes zoals Plauen, Zittau of Meiningen te vinden. Ook die eenzijdige concentratie op de hoofdstad Berlijn wordt nu rechtgetrokken.

Wat eveneens opvalt, is de terugkeer van de moedige dominees, kunstenaars en onbekende deelnemers aan de Montagsgebete en vredesdemonstraties op de beeldbuis en in de Wende-boeken. De kerken stonden aan de wieg van de vreedzame demonstraties, vanuit de kerken werd de omwenteling georganiseerd, zoals niet alleen Neubert en Kowalczuk nog eens onderstrepen, maar zoals ook blijkt uit de vele interviews met bekende en onbekende dominees en dissidenten die nu zijn gebundeld. „De kerk was de enige staatsvrije ruimte in de maatschappij”, aldus Heino Falcke, die onlangs in Utrecht nog een oecumenische onderscheiding ontving voor zijn engagement. In ’Mutig gegen Marx und Mielke’ vertelt de Erfurter Propst hoe hij persoonlijk met zijn auto in december 1989 de ingang van het Stasikantoor blokkeerde, zodat de Stasidossiers niet afgevoerd en vernietigd konden worden.

De kerken waren echter niet uit op de omverwerping van de macht, zij hadden geen revolutie op het oog. Sommige dominees hadden zelf vergaand met de Stasi samengewerkt (die hen daartoe ook bewust probeerde te verleiden en te chanteren). Maar het was zoals bisschop Leich het in de beschrijving van Neubert al op 3 oktober 1990 formuleerde: „God heeft ons meer geschonken dan we hadden verwacht: de vreedzame revolutie, de vrijheid en een open toekomst. Wie zou daarvoor God vandaag niet van harte willen danken?”

Die vraag wordt evenwel niet door alle helden van toen volmondig met ja beantwoord. De val van de Muur, akkoord, maar de eenwording met West-Duitsland een godsgeschenk? De meerderheid van de moedige dissidenten van toen wenste een hervormde DDR, niet een aansluiting bij de BRD. Zij beschouwen de Wende van 1989 als een halve revolutie: zij brak af voordat ze haar konden voltooien. Thomas Rudolph, een voormalige burgerrechtsactivist uit Leipzig, doet in ’Helden der Friedlichen Revolution’ zijn beklag over ’de steeds groter wordende kloof tussen arm en rijk’. Dominee Christian Führer beschrijft in zijn spannende autobiografie ’Und wir sind dabei gewesen. Die Revolution die aus der Kirche kam’ hoe veel Ossies na 1990 aan Konsumgier en alcoholisme ten prooi vielen. Na 1990 organiseerde hij opnieuw vredesgebeden: dit keer tegen de oorlog in Irak, tegen rechts-extremisten en de kredietcrisis.

Toch duidt Führer de Wende van 1989 als een vreedzame revolutie en als een ’genade voor de kerk en voor het volk’. Terecht eist Führer een ereplaats in de geschiedenis op voor het ’wonder van Leipzig’ en voor de Oost-Duitse demonstranten. Niet om zich daarmee op de borst te kloppen, maar om er een voorbeeld voor nieuwe burgermoed in te zien. „Wie dit [een geweldloze opstand] eens probeert – en tenminste eens een poging waagt om met vriendelijkheid en openheid te reageren op geweld en vijandschap in het gezin, bij buren, op kantoor, op school – die zal echte wonderen beleven.”

mailIcon print |