Zestig jaar na zijn dood beleeft het gedachtengoed van de econoom Keynes een opzienbarende revival. Twee monumentale biografieën leggen leven, werk en actuele betekenis van deze tegendraadse Britse wetenschapper vast.
De Amerikanen zijn het, net als de Britten, de Nederlanders, de Duitsers, de Fransen en zelfs de in naam communistische Chinezen: Keynesianen. Om de ernstigste economische crisis sinds de Grote Depressie van de jaren dertig van de vorige eeuw te bestrijden, passen ze allemaal de ideeën toe van een al meer dan zestig jaar geleden overleden Engelse econoom .
Het is een op z'n minst opmerkelijke comeback. Niet alleen is John Maynard Keynes (geboren in 1883) in 1946 gestorven, zijn gedachtegoed leek dertig jaar geleden eveneens voorgoed te zijn bijgezet in het mausoleum van belangwekkende maar achterhaalde denkers.
Het grote probleem van de jaren zeventig van de vorige eeuw was stagflatie: de wurgende combinatie van hoge werkloosheid en hoge inflatie. Die kon niet met het traditionele Keynesiaanse recept – in een crisis neemt de staat het voortouw – worden opgelost. Keynes was passé.
De toekomst was weer aan de economen die meenden dat de markt de problemen wel zou oplossen als je haar maar de tijd en de ruimte gaf. De sleutelbegrippen waren privatisering en deregulering. De overheid diende op afstand te blijven en voor een klimaat te zorgen waarin de markt haar zegenrijke werk kon doen.
Het valt niet te ontkennen dat deze formule door de bank genomen de laatste dertig redelijk succesvol was. De groei in zowel de ontwikkelde als opkomende economieën was aanzienlijk. Of ze minder was geweest als Keynes de grote goeroe was gebleven, valt natuurlijk niet te bewijzen, maar de resultaten waren er en daar ging het om. In hun hoogmoed dachten sommige economen en politici zelfs dat ze de cyclus van opleving en recessie hadden uitgebannen. Het kon alleen maar (nog) beter gaan.
Tot vorig jaar de huizenmarkt in de Verenigde Staten in elkaar stortte, de ene bank na de andere omviel of dreigde om te vallen, het financiële stelsel op springen stond en het spook van een nieuwe Grote Depressie opdoemde. Privatisering en vooral deregulering, met name in de financiële sector, bleken niet langer zaligmakend. Economen die dachten met hun wiskundige modellen elk risico te kunnen uitsluiten, kwamen van een koude kermis thuis, net als de beleggers die hen blind gevolgd waren. Om een totale ineenstorting te voorkomen moesten de overheden ingrijpen. Er werden van Washington tot Peking gigantische sommen in banken gepompt, infrastructuurprojecten en werkgelegenheidsprogramma’s in het leven geroepen. Dit was wat Keynes zou hebben voorgeschreven. Ruim zestig jaar na zijn dood was hij opeens weer springlevend.
Deze wederopstanding is in talloze kranten, tijdschriften en tv-uitzendingen uitvoerig van al dan niet houtsnijdend commentaar voorzien. En nu zijn er kort na elkaar twee boeken verschenen waarin leven en werk van Keynes vanuit een bewonderend perspectief voor het ’grote publiek’ worden geïntroduceerd. Beide auteurs zijn historici, een garantie, zou je bijna zeggen, tegen economische bedrijfsblindheid.
Zowel Peter Carke en Robert Skidelsky is goed thuis in de wereld van Keynes. Clarke schreef eerder een studie over ’de Keynesiaanse revolutie in wording’. Skidelsky is de schrijver van een monumentale driedelige biografie van de grote man, waarvoor hij volgens een collega de Nobelprijs voor geschiedenis, als die zou bestaan, had moeten krijgen. Het boek van Clarke is een combinatie van biografische schets en ontwikkelingsgeschiedenis van Keynes’ denken.
Skidelsky gaat dieper in op de oorzaken van de huidige malaise, schilt een stevig appeltje met economen en hun ’voor elke niet-econoom krankzinnige theorieën’ en trekt gedetailleerder lessen voor heden en toekomst. Beiden zijn er van overtuigd dat Keynes nog steeds de belangrijkste econoom van de wereld is. De boeken vullen elkaar goed aan, al moet worden opgemerkt dat Clarke toegankelijker is dan Skidelsky.
Hoe actueel zijn denken nu weer mag zijn, Keynes zelf is onmiskenbaar een product van een lang vervlogen tijd en een tot nostalgie stemmend intellectueel milieu. Hij was een telg van een liberaal academisch geslacht uit Cambridge, bezocht de superelitaire kostschool van Eton en studeerde aan een van de meest gereputeerde colleges van zijn geboortestad. Hij was briljant en bewoog zich net zo makkelijk in de gevestigde wereld van ambtenarij en politiek als in de semi-bohème van kunstenaars en intellectuelen. In zijn jonge jaren was hij openlijk homoseksueel, later trouwde hij met een Russische ballerina met wie hij zeer gelukkig was. Hij was outsider en insider tegelijk, onconventioneel, pragmatisch, altijd bereid zijn ideeën bij te stellen. Hij was niet alleen econoom, maar ook filosoof en moralist. Voor Keynes was economische groei geen doel op zich. Ze stond in dienst van het ’goede leven’ en een harmonieuze samenleving. Hij was dan ook een toegewijd beschermer van de kunst.
Het tegendraadse geluid was zijn specialiteit. En niet alleen in zijn vakgebied. Na de Eerste Wereldoorlog waarschuwde hij in een pamflet, dat een bestseller werd en zijn naam definitief vestigde, tegen draconische herstelbetalingen die de verliezer, Duitsland, moest betalen. Die zouden revanchisten in de kaart spelen en de kans op een nieuwe oorlog vergroten. Hij kreeg gelijk, zoals we nu weten.
Zijn reputatie berust echter vooral op zijn theorie dat de overheid tijdens een economische crisis in moet grijpen om de vraag naar goederen en diensten te herstellen. Als bedrijven niet investeren en consumenten niet consumeren, moet de staat de economie draaiende en de werkgelegenheid op peil houden. Dat het begrotingstekort daardoor tijdelijk oploopt, moet op de koop toe worden genomen. Dit was in strijd met de orthodoxie van zijn en tot vorig jaar dus ook van onze tijd.
Nu is hij weer de meest geciteerde econoom, net als in de 25 jaar na de Tweede Wereldoorlog toen zijn ideeën het politiek-economische debat beheersten. Destijds werden ze te pas en te onpas ingezet, waardoor ze in diskrediet raakten. Dat valt nu ook niet uit te sluiten, maar voorlopig is Keynes weer de ’redder’, zoals Skidelsky hem in deel twee van zijn grote biografie noemde.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.