Jos Palm doet een paar grepen in een prachtige gids over Nederland en constateert dat de auteur geen onzin verkoopt: ’Goed zo meneer Zaal, geef ze van katoen!’
Het is voorwaar geen geringe ambitie, heel Nederland in woord en beeld vastleggen. En toch is dat wat journalist en programmamaker Rik Zaal nastreeft in zijn gelijknamige tweedelige gids van ruim 1300 bladzijden.
Van Amsterdam tot aan Maastricht, waar hij net als Ramses Shaffy in het liedje ’Laat me’ de ’kroegen en kathedralen’ blijkt te kennen, voert hij ons langs algemeen onbekende en algemeen bekende plaatsen, die tezamen Nederland vormen. Wie de imponerende turven doorkijkt, kan niet anders dan onder de indruk raken. Zoveel landweggetjes en provinciale wegen aangedaan, zoveel vijvertjes, watertjes en rivieren, zoveel steegjes en straten en pleinen in steden, zoveel restaurants en hotels, zoveel kunstobjecten, musea en parken, zoveel sloten en weilanden, en zoveel dorpen en gehuchten; het is om plaatsvervangend moe van te worden, en licht wanhopig. Want hoe dit werk te beoordelen?
Welbeschouwd is er maar één mogelijkheid: met Zaal afreizen naar de plekken die ik ken omdat ik er ooit gewoond heb, en waar ik zo nu en dan nog wel eens kom. Dan zal blijken hoe betrouwbaar en billijk de auteur is. En zo belanden we in het katholieke kerkdorp Zeddam, gelegen in de grensstreek van Achterhoek en Liemers, waar aan een provinciale doorgangsweg mijn geboortehuis stond. Zaal heeft hier rondgelopen als een 21ste-eeuwse Jacob van Lennep, is de eerste gedachte die bij me opkomt als ik virtueel terugkeer, en ik vraag me af of hij ’het’ gezien heeft, dat ons dorp niet meer helemaal ons dorp is, of dat het romantiseren -- risico van elk gidsschrijver -- hem het zicht op de werkelijkheid heeft benomen.
De eerste zin over het dorp luidt: „In Zeddam staat, alweer in een mooi landschap, een prachtige zeer oude molen.” Klopt, denk ik, terwijl mijn hart een vreugdesprongetje maakt, want ’trots op Nederland’ in de zin van trots op mijn geboortegrond ben ik als ieder ander (ook dat is een geheim van een gids als deze, dat het de lezer sterkt in de onvermijdelijke liefde voor zijn thuisland van voorheen). En in gedachten roep ik als een soort Scrooge, die door een geest wordt teruggevoerd naar het geluk van zijn jeugd, Zaal toe: „dat was de molen op de mullebult, Rik, waar wij rovertje speelden en waar de zeepkisten naar beneden denderden, eenmaal per jaar op koninginnedag, totdat de vooruitgang en de politie het vanwege het gevaar verboden.”
Als vanzelf vraag ik om meer: „Kom op Rik, vertel! Over het zandgat -- de afgraving waar wij voetbalden --, en over onze, geloofden wij, derde hoogste kerktoren van Nederland.” En Zaal vertelt: over hotel het Landgoed Montferland op de bult in het bos -- ooit had er een ’echt ridderkasteel’ gestaan, wisten wij -- en over de ’Drieheuvelenweg langs glooiende velden, bossen en boerderijtjes’ (over de kerktoren, zegt hij, teleurstellend, niets).
En juist als ik mezelf betrap op een ongekende vaderdorplievendheid en stiekem hoop dat hij ’het’ niet ziet, lees ik de zin: „Een minder aantrekkelijke bezienswaardigheid is het door het architectenbureau Alberts & Van Huut ontworpen winkelcentrum aan het Gerrit Varwijkplein.” En Zaal beschrijft het mislukte nieuwe dorpshart vol ’scheve daken, scheve kozijnen, scheve gevels en scheve onderdoorgangen’, dat in warm baksteen de gemeenschapszin moet suggereren die het dorp elders creëert. In eerste instantie denk ik, verdomme, daar gaat mijn dorp, in tweede: ’goed zo, meneer Zaal’, geef die megalomane nieuwlichters met hun geslachtsloze winkelcentra ervan langs, in Zeddam, en overal waar je zulk georganiseerd verdriet tegenkomt-- iets wat de auteur godzijdank ook ruimhartig doet. Geslaagd dus, moet de conclusie zijn van deze eerste steekproef.
Een tweede steekproef, voor de zekerheid: het IJsselstadje Doesburg. Het ziet er, weet ik, nog net zo uit als toen ik er woonde, en het is er -- uitzonderlijk in Nederland -- alleen nog maar mooier op geworden. De vraag is of Zaal – steun en toeverlaat van de binnenlandse globetrotters die straks met zijn boek in de rugzak het vaderland herontdekken -- dat bevestigt.
Zulks is het geval, want hij beschrijft het in de vijftiende eeuw ingeslapen en na de Tweede Wereldoorlog opgeleefde stadje in al zijn bescheiden glorie, en heeft -- en dat is typerend voor de architectuurliefhebber Zaal -- veel aandacht voor de moderne architectuur en kunst ter plaatse. En hier, waar daadwerkelijke de derde hoogste kerktoren van Nederland staat (na de Dom in Utrecht en de Martinitoren in Groningen), noemt Zaal de kerktoren, anders dan in Zeddam, wél.
Dat de auteur goed om zich heen kijkt, blijkt uit ook het laatste steekproefsgewijze voorbeeld. Wanneer hij van Doesburg naar Zutphen reist, doet hij het naargeestig pittoreske Bronkhorst aan – het enige dat er ’echt’ was, herinner ik me uit fietstochten, was het laagpotige zwarte wilde dwergzwijn dat vanuit zijn modderpoel de drommen toeristen prettig toe gromde en dat inmiddels dood moet zijn. Wat de vele bezoekers aantreffen, schrijft Zaal, is ’een prachtig stadje dat compleet verneukt is door sfeerboetiekjes, glas- en keramiekateliertjes, zijdebloemenwinkels, kunstnijverheidboerderijen, leukebeeldenwinkeltjes, antiekzaakjes en nog een paar over het paard getilde cafés en restaurants.’ En opnieuw denk ik, goed zo, meneer Zaal, geef ze van katoen.
Moet er nog meer gezegd? Of Rik Zaal voor heel Nederland net zo betrouwbaar is als voor Oostelijk Gelderland kan ik niet beoordelen. Maar wat ik lees over Amsterdam, waar ik alweer jaren vertoef, klopt. Zaal laat zich kennen als een gedegen stads- en plattelandsreiziger, als een gemotoriseerde vaderlandvoyeur. Hij is de achttiende-eeuwse encyclopedist die per auto -- en soms per fiets of te voet -- het land doorreist en van commentaar en wetenswaardigheden voorziet.
Mag ik hem namens Zeddam bedanken?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.