’Ik heb dit boek geschreven omdat ik niet alleen bij mezelf maar ook bij hoogopgeleide vrouwen om me heen zag dat de moeders van nu veel moeite hebben de moederrol op zich te nemen. Het is voor de huidige generatie van dertigers een grote oversteek van een vrij onafhankelijk, zelfstandig en individueel ingericht leven naar het moederschap. En die overgang verloopt niet zonder slag of stoot.
Nou zijn de vrouwen van nu niet naïef: ze hebben zich heel goed voorbereid op die oversteek, ze hebben zich prima ingelezen. Maar de kennis die voorhanden is, is nogal eenzijdig, dat is het probleem. Je krijgt het verhaal van de roze wolk te horen, hoe fantastisch het wel niet is een kind te krijgen. De voorlichtingsboeken richten zich voornamelijk op het kind, op de geboorte, wat je met het kind moet doen. Maar je hoort en leest niet wat er met jezelf gebeurt, over de schaduwkanten van het moederschap. Die vertellen wij vrouwen ook niet aan elkaar door want we zijn bang dat dat tot gezichtsverlies leidt, dat je dan een loser blijkt te zijn die haar zaakjes niet voor elkaar heeft. Nee, het beeld is: ik doe het beter dan jij, bij mij schijnt altijd de zon. Terwijl uit onderzoeken van psychiaters blijkt dat er sprake is van een identiteitsverandering bij vrouwen die moeder worden, we worden werkelijk iemand anders.
Ik ben begonnen met het opsturen van vragenlijsten naar tientallen vrouwen, over alle aspecten van de overgang naar het moederschap. Vervolgens heb ik ze geïnterviewd, en vier vrouwen heb ik daarna steeds gevolgd en met tussenpozen van een halfjaar weer gesproken - hun verhalen staan uitgebreid in het boek.
Tussen hun ervaringen zitten vanzelfsprekend verschillen, maar de grootste gemene deler is toch: het was heel anders dan ik me had voorgesteld, het vergde veel aanpassing. Veel vrouwen noemen lichamelijke klachten, vinden het moederschap zwaar, of kampen met eenzaamheid. Vrijwel iedereen stoort zich aan dat roze beeld dat je overal tegenkomt, die glossy’s met verhalen over bekende Nederlanders en hun geslaagd moederschap bij wie hooguit weleens een glas melk omvalt, maar waar het voor de rest één grote juichkreet is.
Mijn zoon zal dit boek later wel eens lezen, ja. Maar daar ben ik niet bang voor, hoor, hij zal niet van verbazing omvallen. Ik wijs ook niet met een beschuldigende vinger naar hem, integendeel. Ik vind m’n kind geweldig, ik had niets liever gewild, ik geniet van ’m, ik vind hem mooi en prachtig. Ik heb geen enkele spijt. Maar zelf, als moeder, ben je tijdelijk totaal de weg kwijt, je leven staat helemaal op z’n kop. Het zijn twee verschillende dingen die tegelijkertijd plaatsvinden: de euforie aan de ene, en de twijfel over het moederschap aan de andere kant.
Nee, het was niet moeilijk om m’n emoties aan het papier toe te vertrouwen. Door alle gesprekken die ik heb gehad ben ik er inmiddels van overtuigd geraakt dat er duizenden vrouwen zijn die hetzelfde hebben doorgemaakt als ik, die zich na de bevalling afvragen: waar ben ik nu toch in beland, ik weet niet of dit wel zo leuk vind. Voor al die vrouwen heb ik het boek geschreven, en voor de vrouwen die nog overwegen de grote oversteek te maken.
Zeker, mannen mogen het ook lezen. Voor hen is het vaderschap eveneens een grote overstap. Maar het ligt bij hen toch anders. Je kunt het ouderschap emanciperen wat je maar wilt, maar het is natuurlijk nog altijd de vrouw die de klus moet klaren: zwanger en een kind baren. Het is zeker interessant te weten hoe mannen dit allemaal beleven, maar dat is wel weer een ander boek.’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.