Vroeger had je ’Knuvelder’: hét boek over de geschiedenis van onze literatuur. Nu is dat verhaal uitgesmeerd over zeven delen – van sterk wisselend niveau. Rob Schouten vindt het onbegrijpelijk dat juist de negentiende eeuw, onze literaire kraamkamer, zo'n schoolse behandeling ten deel valt.
De pontificale zevendelige reeks ’Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur’, die het oude handboek op dat terrein van Knuvelder moet vervangen, begint onderhand aardig op dreef te raken. Inmiddels zijn vijf delen verschenen, overigens niet in chronologische volgorde; zojuist dat waarin de negentiende eeuw behandeld wordt, door Willem van den Berg en Piet Coutennier.
Je kunt van Knuvelder zeggen wat je wilt, bijvoorbeeld dat hij katholieke schrijvers voortrok of weinig oog had voor marginale en experimentele schrijvers, maar zijn werk is beslist een eenheid. Dat komt natuurlijk omdat er maar één auteur achter zat. Dat is in de nieuwe reeks anders, iedere periode wordt door een andere auteur of auteursstel geschreven. Dat heeft als voordeel dat er steeds ware specialisten en liefhebbers aan het woord komen, maar het heeft ook een bezwaar, namelijk dat al die delen qua aanpak en invalshoek danig van elkaar verschillen.
Zo is deel één door Frits van Oostrom een fraai essay over de oergronden van onze letterkunde. In deel twee, over de middeleeuwen, berijdt Herman Pleij zijn stokpaardje, de invloed van de volkscultuur op de letteren, enigszins ten nadele van een hogere kijk op de literatuur. Deel drie, over Renaissance en Gouden Eeuw, is dan weer veel meer inventariserend, een enorme waslijst aan bekende en onbekende schrijvers, terwijl het chronologisch laatste deel over de naoorlogse literatuur voorzichtig probeert orde te scheppen in de hedendaagse letteren aan de hand van stromingen en richtingen. Het zojuist verschenen deel, getiteld ’Alles is taal geworden’, is in de reeks tot nu toe het meest schoolse product. Al met al maakt het geheel, voor een handboek, een wat schots en scheve indruk.
In veel opzichten is de negentiende eeuw cruciaal voor onze hedendaagse cultuur, het is de tijd waarin de oude maatschappelijke verhoudingen drastisch veranderen, waarin de Industriële Revolutie het dagelijks leven op z’n kop zet, het is de tijd van de Romantiek waarin kunstenaars zichzelf een bijzondere rol toedichten, het is de tijd van opkomend moralisme en van de bourgeoisie. In zekere zin staan wij, twintigste- en 21ste-eeuwers, op de schouders van die negentiende eeuw.
Van dat alles merk je in ’Alles is taal geworden’ bijzonder weinig. De auteurs hebben er voor gekozen het tijdperk te behandelen vanuit het perspectief van de negentiende eeuw zelf. Zelfs steekwoorden als Romantiek of moralisme, onze etikettering, vallen niet in de inleiding.
Er valt wel iets voor te zeggen. Het aanzien van de Nederlandse literatuur in de negentiende eeuw is namelijk vooral bepaald, en wie weet vervormd, door het optreden en de visie van de Tachtigers aan het eind van die eeuw, die ongeveer al het voorafgaande bestempelden als oubollig, gezapige burgermanskunst, domineespoëzie en dergelijke, alsof er eigenlijk niets bijzonders zou zijn voorgevallen, en zo is het vervolgens ook in de handboeken terechtgekomen.
Van den Berg en Couttenier willen dat beeld bijstellen en de ’andere’ negentiende eeuw rehabiliteren. En dus krijgen we hier veel Bilderdijk en Staring en Potgieter, en veel Conscience. Ook krijgt de verhouding tussen de Noord-Nederlandse en de Vlaamse literatuur veel aandacht.
Een van de merkwaardigste aspecten van dit deel is de periodisering. De auteurs beginnen namelijk stipt in 1800 en houden precies in 1900 op. Dat zijn kunstmatige grenzen die hun collega’s in het geheel niet hanteren en ik ben benieuwd hoe de auteurs van de twee omringende delen, die nog moeten verschijnen, daarmee om zullen gaan.
Ik noem dit deel schools, omdat het vooral opsomt, samenvat en citeert. Haast ostentatief zien de auteurs af van het presenteren van een totaalvisie op de negentiende eeuw, er worden nauwelijks lijnen getrokken naar de sociale geschiedenis, er wordt niet gekeken naar het lezerspubliek – wie lazen bijvoorbeeld nu eigenlijk Hildebrandts Camera Obscura? We horen er niks over. Vrijwel geen woord over het wezen van de buiten Nederland zo hevig woedende Romantiek. Niets ook over de paradoxen van die epoche: opkomend nationalisme versus exotisme, exorbitante fantasieën versus realisme, individualisme versus gemeenschapskunst. De Nederlandstalige literatuur van de negentiende eeuw is hier een eiland.
Het heeft er alle schijn van dat de auteurs hun vingers niet wilden branden aan al te grote begrippen. Wat rest is een tamelijk dorre inventarisatie van alle mogelijke schrijverschappen die er indertijd veel of een beetje toe deden.
Die politiek van gelijkberechtiging, zoals ik het maar zal noemen, zorgt er voor dat heel wat kopstukken uit de Nederlandse literatuur relatief weinig aandacht krijgen. Voor Multatuli, volgens veler oordeel toch de belangrijkste schrijver uit onze geschiedenis, zijn bijvoorbeeld maar vijftien pagina’s ingeruimd, heel wat minder dan voor Bilderdijk (22) en zelfs Potgieter (18). „Buitenissig, uitzonderlijk talent laat zich nu eenmaal niet plooien op het ongemakkelijke procrustesbed van de literatuurhistorie”, schrijven de auteurs. Zo lust ik er nog wel een.
Op Kloos en Verwey, immers de aanstichters van de negatieve blik op de negentiende eeuw, wordt helemaal bezuinigd. Daar staat tegenover dat iemand als Alberdingk Thijm met liefst acht pagina’s een soort eerherstel krijgt. Ik snap het, hij was een echte negentiende-eeuwer, meer een literair voorman dan een groot auteur. Maar ik geloof dat Van den Berg en Couttenier in hun poging tot rechtzetting de zaak toch weer enigszins scheeftrekken.
In de negentiende eeuw kregen debat en kritiek voor het eerst een vaste plaats in de letteren. Aanvankelijk gebeurde dat vooral in literaire genootschappen, maar gaande de eeuw begonnen die langzaam plaats te maken voor literaire tijdschriften De oprichting van De Gids, in 1837, is een datum in de Nederlandse literatuur.
Het blad bestaat trouwens nog altijd en dat mag wel een wonder heten, want met de tijdschriftencultuur lijkt het inmiddels aardig gedaan – de teloorgang van het literaire kwaliteitsblad Raster, nog onlangs, is er een veeg teken van. Het huidige literaire debat vindt weer voornamelijk plaats in de publieke ruimte van literaire stichtingen als de SLAA (in Amsterdam) of de SLAU (in Utrecht) en op het internet. En ook het ’met een boekje in een hoekje’ lezen lijkt weer plaats te maken voor literatuur op festivals en podia.
Wat dat betreft vormt de genootschapscultuur van de vroege negentiende eeuw een interessante voorganger van onze eigen literaire cultuur, maar dat is het soort link dat deze auteurs niet leggen.
De grootste criticus van zijn tijd was dan weer een individualist, Conrad Busken Huet, ’de beul van Haarlem’, die de Nederlandse literatuur plaatste in een Europese context en er vervolgens veelal de staf over brak. Hij deed eigenlijk precies wat Van den Berg en Couttenier niet doen en het lijkt me geen toeval dat ook hij niet erg prominent wordt gebracht.Alsof de schrijvers juist bij zulke grootheden hebben gedacht: lees de rest maar in de desbetreffende bio- en monografieën.
Vanuit Nederlands perspectief zijn misschien de passages over de Vlaamse letterkunde nog wel het meest interessant, omdat we daar het minst vertrouwd mee zijn. Hoe een volksdeel, het Vlaamse, zijn letterkunde inzet om cultureel mee te doen in het nieuwe België, komt goed uit de verf. Bij alle eenheidsstreven bleef dat intussen toch een strijd tussen de liberale en de katholieke richting, iets waarvan je in het hedendaagse Vlaamse letterkundig klimaat de sporen nog terugziet.
Karakteristiek is het geval van Hendrik Conscience, ‘de man die zijn volk leerde lezen’. Zijn eerste historische romans, ’In ’t wonderjaer 1566’ en ’De Leeuw van Vlaendren’ of ’De Slag der Gulden Sporen’, boeken waarin men eventueel wat anti-katholieke gezindheid kon aantreffen, herschreef hij een paar jaar later op verzoek van de clerus in katholieke zin. Uit opportunisme en geldnood, naar het schijnt. Zo groeit langzaam, veel langzamer dan in het noordelijke buurland, uit een hoop activistisch en nationalistisch broddelwerk een zelfstandige, mooie literatuur, met als hoogtepunt het werk van Guido Gezelle.
De Vlaamse bijdrage, met veel aandacht voor schrijvers als Prudens van Duyse, Karel Ledeganck en J. Nolet de Brauwere van Steelandt (voor Nederlandse lezers niet meer dan verre klanken), laat verder vooral zien hoe vergeten dit segment van de Nederlandstalige letterkunde is geraakt.
Dat is tegelijk ook de grootste verdienste van dit deel, dat het weer aandacht vraagt voor een grote hoeveelheid vergeten en veronachtzaamde schrijvers. Maar ik ben er toch niet van overtuigd geraakt dat de Tachtigers in Nederland en de Vlaamse vernieuwers van het blad ’Van nu en straks’ ongelijk hadden met hun harde oordeel over hun voorgangers. Er komt in dit deel ontzettend veel middelmaat aan bod, en de missie om die wat meer glans te geven, is wat mij betreft goeddeels mislukt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.