Geen toeters en bellen voor de Hermitage in Amsterdam, maar een haast kloosterachtige ambience. Morgen open voor publiek.
Architect Hans van Heeswijk (1952) kan er ook niks aan doen dat hij steeds in superlatieven vervalt over zijn ’allermooiste project’ tot dusver: de verbouwing van het 17de-eeuwse verzorgingstehuis Amstelhof in Amsterdam tot een dependance van de Hermitage, het beroemde museum in Sint-Petersburg in Rusland. Werkelijk alles zat mee. „Er was voldoende budget. We hadden met Ernst Veen en zijn team een enthousiaste en besluitvaardige opdrachtgever. De aannemer, de firma De Nijs, heeft uitstekend werk geleverd en dat geldt ook voor binnenhuisarchitect Eveline Merkx en projectleider Pieter van Empelen. En het ging ook nog eens om een kolossaal pand waarin we ons echt hebben kunnen uitleven. Daar kun je als architect alleen maar van dromen.”
Het resultaat mag gerust overdonderend worden genoemd. Van Heeswijk is erin geslaagd om van het donkere, hokkerige bastion met zijn vele kruip-door-sluip-doorgangen een overzichtelijk, licht en open gebouw te maken. Zonder toeters en bellen, maar met een sobere, haast kloosterachtige uitstraling, zodat de getoonde kunstwerken optimaal tot hun recht komen. Ook naar buiten toe is het gebouw, dat voorheen als een anoniem somber bouwblok in de stad lag, onherkenbaar veranderd. Het is nu ineens een blikvanger aan de Amstel. Dat was nog een lastige operatie, want van Monumentenzorg mocht de architect niets veranderen aan de buitengevel, behalve schoonmaken en restaureren. Het gebouw dateert uit 1683 en geldt als een voorbeeld van het Hollands Classicisme, een ingetogen en afstandelijke bouwstijl. Binnen mocht de architect wel zijn gang gaan, want daar was niets overgebleven van de oorspronkelijke stijl. Vooral in de jaren zeventig van de vorige eeuw is er rigoureus gesloopt en verbouwd, toen Amstelhof een verpleeghuis werd.
Praten over de architectuur van de Hermitage Amsterdam vanachter zijn bureau vindt Hans van Heeswijk niets. „Je moet dit gebouw zien en beleven.” We volgen op zijn verzoek de route die het publiek, dat vanaf morgen welkom is, loopt en die begint bij de hoofdingang aan de Amstel. Daar zaten altijd al een bordes en een deur, maar die werden nooit gebruikt. De deur met stoep ontbrak in het oorspronkelijk ontwerp van stadstimmerman Hans Janszoon van Petersom voor een ’huis voor oude besjes’, maar moest er toch komen van de toenmalige burgemeesters, omdat dat het gebouw meer allure zou geven. Van Petersom voegde de deur toe, maar die werd meteen dichtgetimmerd, omdat daarachter de kerkzaal ligt die niet kon dienen als entree. Ook in het ontwerp van Van Heeswijk maken dagelijkse bezoekers geen gebruik van deze centrale toegangsdeur. Bij speciale ontvangsten wordt hij vanaf nu wél gebruikt. Bezoekers gaan naar binnen via de poort (de Ossenpoort) onder het bordes die uitkomt op de royale binnentuin. Het voordeel daarvan is dat het publiek nooit in een lange rij op straat hoeft te wachten. De binnentuin, ook voor niet-bezoekers vrij toegankelijk, heeft landschapsarchitect Michael van Gessel voorzien van grasvelden met granieten randen, waar je op kunt zitten. Er staan drie bejaarde kastanjebomen en vier jonge vleugelnoten.
Het pad door de binnentuin leidt naar de entreehal, die deels is opengebroken tot de nok van het drie etages tellende gebouw, waardoor het daglicht volop kan binnenstromen. De oorspronkelijke verdiepingen zijn relatief laag en om een ’benauwd’ gevoel te voorkomen, heeft de architect her en der verdiepingsvloeren weggebroken en de trappenhuizen en liften van glas gemaakt. Ook voor licht en ruimte zorgen de lange zichtlijnen over de volle breedte (102 meter) van het gebouw. Van Heeswijk: „In feite heb ik de oude structuur met zijn strakke en symmetrische indeling teruggebracht die in de loop der tijden volledig was weg gesloopt en getimmerd. Mensen denken vaak dat je als architect vooral bezig bent met het toevoegen van dingen, maar de essentie van het ontwerpproces is voor mij: opruimen, ordenen en ruimte maken.”
Om te voorkomen dat bezoekers zich verloren voelen in het gebouw (drie etages van 80 bij 102 meter) of niet meer weten waar ze zijn, heeft Van Heeswijk een omloop gemaakt om de binnentuin heen. Die zorgt ervoor dat je door het hele gebouw heen naar buiten kunt kijken. De noord- en zuidvleugel zijn ingericht als grote tentoonstellingszaal, omgeven door 42 kleine kabinetten, waar elk half jaar een nieuwe expositie wordt ingericht. De tuinvleugel is de ontmoetingsplek voor het publiek met een restaurant met buitenterras dat ook buiten openingstijden van het museum toegankelijk is (dagelijks tot 1 uur ’s nachts), twee winkels en een auditorium. In de Amstelvleugel zijn twee vaste presentaties. Eén zaal is gewijd aan de relatie tussen Nederland en Rusland – aan de Hermitage in Sint-Petersburg en die in Amsterdam. De andere zaal richt zich op de geschiedenis van Amstelhof en de zorg van de Hervormde diaconie voor de ’oude besjes’. Deze presentatie strekt zich uit over de regentessenkamer en de oude keuken, die zijn gereconstrueerd.
Met het project was 42 miljoen euro gemoeid. Er worden per jaar minstens 400.000 bezoekers verwacht, maar het museum kan het dubbele aan. Het werk is ongekend snel uitgevoerd en binnen het budget. Hans van Heeswijk werd in december 2004 gevraagd een ontwerp te maken. De feitelijke verbouwing begon in 2007, toen de laatste ouderen waren vertrokken. Volgens de architect is het grote verschil met andere bouwprojecten van musea in de stad dat hij te maken had met één particuliere opdrachtgever die ’wist wat hij wilde’. Alle bouwplannen moest het ontwerpteam ook voorleggen aan de Hermitage in Sint-Petersburg en daar stelde men steevast de hoogste eisen als het ging om klimaatbeheersing, luchtvochtigheid en beveiliging. Dat is nogal een verschil als je weet onder welke slechte omstandigheden de kunstwerken in Sint-Petersburg worden bewaard. Van Heeswijk is zes keer naar Rusland gereisd. Ook kwamen afgevaardigden van de Hermitage een paar keer naar Amsterdam. De architect wilde beslist alle technische installaties uit het zicht inpassen in het gebouw. Daarom is bedacht om de (ongeïsoleerde) muren van het gebouw ’op te dikken’ met een extra wand en daarin alle snoeren en apparatuur weg te stoppen. „Mede daardoor hebben we de Russen kunnen overtuigen. Gelukkig hebben ze zich nooit bemoeid met het ruimtelijk ontwerp. Dat had ik niet geaccepteerd.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.