*

 

Het kastje van mijn vader

Jacolien Kaljouw − 11/09/09, 13:27

Een bruin vlekje komt onder de verflagen te voorschijn. Het grijpt om zich heen tot het een eilandje wordt, temidden van witte wolken stof.

En steeds groter wordt het, het schuurt en schraapt tot het hele deurtje egaal bruin is. Dan stopt het, laat het andere deurtje en de rest van het kastje voor wat het is. Alsof dat éne deurtje genoeg opening geeft. Van het verleden al haast teveel prijsgegeven heeft.

De zilte zeelucht dringt mijn neus binnen, zout, olie en verbeeld ik het me of ruik ik vis? Een spoor zeekraal op glimmende, zwarte basaltstenen. Moeder die zegt: “Dat aten wij in de oorlog, best lekker hoor. Vroeger waren we snel tevreden”.

Bootjes vouwen van droppapiertjes, twee in totaal, want één snoepje kreeg je als de preek begon, de ander na de tussenzang. Lampen tellen en dromen van de jongen in de bank voor je. Bijna stikken van de lach om de dominee die galmend een tel achter de gemeente aanzong. “Hijgend hert der jacht ontkomen.” Moeder gaf een por met haar elleboog, “sst”, maar kon zelf een lach nauwelijks verbergen.

Ik vroeg het mijn broer terwijl moeder de vensterbanken leeghaalde om de ramen te zemen. “Zonde is alles wat je verkeerd doet. Iedereen doet verkeerde dingen, ook de dominee en de ouderlingen in hun zwarte pak.” Ik zag de spierwitte vitrages blinken in de zon en probeerde me een zondig hart voor te stellen. “Ben ik ook zondig?” en was teleurgesteld toen hij knikte.

Vier keer per jaar werd het vaste ritme van de kerkdienst doorbroken. Voorin de kerk een vreemd stilleven. IJsschotsachtige vormen van een wit laken over een heilig maal gespreid. Onder dat koele laken lag het brood, zo wit en zacht als wij het thuis nooit aten. De kan wijn zou later met een weids gebaar in de bekers gegoten worden. Elke keer weer zou ik me verbazen over die prachtige, paarsrode straal waar het licht in fonkelde. En dan die plechtige woorden erbij. Altijd dezelfde mensen die aan de eerste tafel zaten, en anderen die aan de tweede tafel durfden te verschijnen. Het was mijn vader die als eerste moed vatte om zich bij de tweede groep te voegen. De keer daarop volgde mijn moeder. Nog later mijn broer. Als enige liep hij met het hoofd geheven weer terug naar zijn plaats in de bank. Glimlachend.

Al eerder had ik het kastje van mijn vader onder handen genomen. Geschuurd en wit geverfd volgde het mij. De zware Zeeuwse klei achter zich latend, de psalmen op hele noten, ouderlingen in zwart pak. Witte vitrages en blinkende ramen. Soberheid en schuld. Uitverkiezing en het laatste oordeel. Een steen op een graf. Maar ook: een witte stad, waar de tranen van de ogen worden gewist.

Morgen zal ik het in de was zetten. En door de waslaag heen zal ik fonkelrode wijn zien stromen op het droge hout. Het zal wit oplichten. En mijn verhaal meenemen, nieuwe woorden in een vertrouwd verhaal.

mailIcon print |