*

 

Ik denk niet aan mijn moeder

Vincent Merjenberg − 11/09/09, 13:06

Alle tafeltjes zijn bezet, mensen zitten op de stoep en de jongen met het schort staat geen moment stil. - Wat neem jij?- Wat?- Wat neem jij?

Het lukt me even later de jongen staande te houden, we bestellen.

Mijn moeder werd ziek toen ik net naar Londen vertrokken was. Van het plan daar een nieuw bestaan op te bouwen is niets terecht gekomen, al woon ik er nog steeds en blijf ik maar drie dagen in Nederland.

Als de jongen met het schort weer begint met zigzaggen tussen de mensen, is het weer stil. Tenminste, aan onze tafel. De zon is verdwenen achter de huizen aan de andere kant van het water en eigenlijk is het te koud om nog buiten te zitten. Ik wil naar haar kijken, maar telkens als mijn blik even op haar gezicht rust, kijkt ze terug. En dus kijk ik maar weer naar het viltje in mijn handen.

Ze ziet er ziek uit. De zachte, koele wangen, die vroeger de koorts uit mijn voorhoofd konden zuigen, zijn geel, doods, dood. Haar ogen – mijn ogen – zijn tegelijk leeg en vol angst. Ze berust zich in haar vrees. Ze is mager, lelijk, klein.

- Hoe is het in Londen?

- Druk. Ik krijg veel opdrachten. Met Lara loopt het niet zo lekker. Ik denk dat ik haar morgen weer zie.

Ik merk dat ik haar niet antwoord, maar mezelf ervan probeer te overtuigen dat het o.k. is je moeder alleen te laten sterven. Als je zelf maar genoeg problemen hebt.

Aan de tafel naast ons zitten een jongen en een meisje, verliefd. Ik kan me niet herinneren wanneer ik mijn vader voor het laatst gezien heb.

Ik heb niet gemerkt dat onze glazen gebracht zijn, maar dat van mij is al half leeg. Mijn moeder is op zoek naar een gespreksonderwerp, zie ik, maar vindt het niet. Toch begint ze te praten.

- Het is nog lekker buiten.

- Ja, heel fijn zo.

- Of wil je naar binnen?

- Nee, ik vind het nog best lekker buiten.

- Ik denk dat het binnen vol is. Anders ga jij even kijken?

Zo gaat het altijd, maar deze keer doe ik wat ze zegt. Ik ben blij dat ik weg kan. En ik heb het ontzettend koud. Binnen is het warm. Mooie mensen die praten, mensen die vrij zijn omdat ze gewerkt hebben, ze lachen en kijken elkaar aan. Er is geen plaats voor ons, in ieder geval niet voor ons samen.

Dit is niet het afscheid. Morgen, voor ik terugvlieg, zal ik haar nog één keer zien. Tegen morgen zie ik niet op; deze middag is verschrikkelijk. Morgen kunnen we huilen en ik hou van je zeggen, vandaag moeten we flink zijn, het fijn hebben samen, wil ze me een fijne herinnering geven.

Twee weken later. Ik loop tussen hoge gebouwen. Voor me een vrouw met aan haar mooie hand een kind. Ik denk niet aan mijn moeder.

Vincent Merjenberg, Amsterdam

mailIcon print |