*

 

Mijn wortels

Gera H. Mateman − 11/09/09, 13:01

¿Grada was een deerne, zie was van boerenstand...¿. Zo begint één van de songs van de boerenrockgroep "Normaal". Het lied eindigt met ¿Van stadsluu wel genezen en trots op boerenstand.¿.... trots op boerenstand!

Zo ongepolijst en bij tijd en wijle grof “Normaal” ook mag zijn, zodra ik ze hoor begint mijn Achterhoeks hart te kloppen. Geboren onder Eibergen op een boerderij, boerderijtje mag ik wel zeggen, hebben mijn wortels zich nooit verraden: waar anderen zich wel eens wat kunnen schamen wanneer duidelijk wordt dat zij een boerenachtergrond hebben, werd mij al jong geleerd dat een vrije boer aan niemand dan aan zichzelf verantwoording behoefde af te leggen – anders dan de mensen uit het dorp, in dienst van een bedrijf of een baas.

Tot op de dag van vandaag voel ik mij verbonden met de boerenstand. Al diegenen die in sommige periodes van het jaar van zonsopgang tot ver na zonsondergang werken om het voedsel voor mens en dier te vergaren. Die geen vijfdaagse werkweek kennen, en die de deur na acht uur werken op een dag, niet achter zich dicht trekken om de volgende morgen weer verder te gaan waar de vorige dag het werk werd neergelegd.

Toen ik kind was, was mijn wereld het erf. De stallen waar de koeien ’s winters stonden, mijn speelterrein. En als ik in de winterperiode ’s nachts op bed lag, hoorde ik het rammelen van de kettingen, wanneer een koe ging staan, ging liggen of ging verliggen. Soms was er wat gekreun te horen – misschien een koe die droomde.

En in de vroege morgen hoorde ik het gekakel van de kippen die hun ei hadden gelegd en het gekraai van de haan: teken dat de nieuwe dag weer was begonnen.

Ik hoorde mijn moeder met de emmers rammelen en direct daarna het gekrijs van varkens die wisten dat ze zouden worden gevoerd. Zij werden vet gemest voor de slacht, maar anders dan in het dierenverhaal van Anton Koolhaas "Mijnheer Tip is de dikste mijnheer", ben ik er van overtuigt dat ónze varkens geen notie hadden van de toekomst die mijn ouders voor hen in gedachten hadden.

Terwijl mijn moeder zich bekommerde om varkens en kippen, voer rondbracht, waar nodig stro strooide en de gelegde eieren raapte, was mijn vader druk met het melken van de koeien. Acht stuks, toen ik heel klein was, later wat meer. Er werd gemolken met de hand. Al jong leerden mijn anderhalf jaar oudere broertje en ik het ook. Het was een beweging die je, net als fietsen, nooit meer verleert als je het eenmaal onder de knie hebt. Al jong gingen wij ook mee naar het land. Knollen plukken, bietenblad afsteken, aardappels rooien, graan bijeenrapen en tot schoven binden. Later werd het boerenbestaan machinaal, harder, zakelijker, met veel meer kopzorg en banken die boeren om verantwoording vragen.

Maar tot op de dag van vandaag ben ik blij dat ik ben opgegroeid in een wereld waarin het ging om het léven. Het leven in planten, dieren en mensen.

Gera H. Mateman,

Ommen.

mailIcon print |