Mijn voorouders zitten in een andere hemel. In elk geval niet in de hemel waarmee ik opgegroeid ben, want volgens het Joodse geloof is die hemel er niet.
Ik sta hier op de begraafplaats van Zijldijk, een klein gehucht in het diepe noorden van Groningen, verscholen achter de dijk langs de Eems. Vroeger heerste hier de stilte of de storm. Iets verderop kon je Oosternieland zien liggen en niet veel verder ook Roodeschool. Dit was de wereld waar mijn vader in opgroeide, een wereld die nu verdwenen is. Alleen de verhalen spoken nog rond, verhalen van familieleden die niemand meer kent en die ook na de oorlog niet teruggekomen zijn. Ze zijn gedeporteerd en verdwenen als schimmen in de mist naar het oosten, waar hun voorouders ooit vandaan gekomen waren.
Ik sta voor een grafsteen waarop de namen van mijn grootouders staan en ik sta te kijken naar mijn eigen naam op de steen. Vernoemd naar mijn grootvader Jan. Ik heb hem nooit gekend, want hij overleed pal na de oorlog aan de gevolgen van difterie. Eén van de verhalen van mijn vader is dat mijn grootvader in de oorlog bezoek kreeg van een paar familieleden met een Jodenster. Mijn vader mocht er niet bij zijn. Grootvader Jan was in zijn jeugd sjabbes goj geweest bij familie in de buurt. Niemand weet meer waar en bij wie. Ze schijnen hem gevraagd te hebben of hij ze kon helpen, maar hij had gezegd dat dit onmogelijk was. De trawanten van Klaas Bronsema hadden hem al eens gevraagd of hij zelf misschien ook een Joodje was. Ze hielden hem in de gaten. Het zou te gevaarlijk zijn om onderduikers te bergen. De twee mannen waren na enige tijd weer lopend vertrokken in de richting van Uithuizermeeden met hun handen diep in de zakken. Ze spraken niet en keken somber voor zich uit. Ze hebben uitgekeken over dezelfde landerijen, die ik nu voor me zie. ‘Doar broest de zee, doar hoelt de wind, doar soest 't aan diek en wad,’ zegt het Groninger volkslied. Ze hebben hier gewoond in deze kleine dorpjes en zijn ook weer geëmigreerd of gedeporteerd. Als het begint te miezeln stap ik weer in mijn auto en vertrek richting Groningen.
Hun oorsprong is voorlopig nog steeds een raadsel. Volgens het Rijksarchief komen ze oorspronkelijk uit Lippe in Duitsland. Of toch uit Oostenrijk, waar die boerderij in Perwolfs nog steeds bestaat met de naam Danhof. Maar de naam kwam ook voor in joodse sjtetls in Litouwen op de grens met Oost Pruisen en ook in Letland, en verder naar het oosten ook in Russische transcriptie. En waarom en wanneer zijn ze bekeerd tot het christendom? Voorlopig blijven de vragen, maar één ding is zeker. Ze hebben gezworven door heel Europa en hebben zich uiteindelijk gevestigd in dit land van de wijde blik. ‘Doar vuilt het haart, de tonge sprekt, in richt- en slichte toal.’
Jan Danhof
Hengelo Ov
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.