Ook al hebben woordenboeken er geen weet van, het werkwoord voetballen heeft voor geïnteresseerden in die bezigheid twee betekenissen. De eerste kent iedereen. De tweede manifesteert zich, wanneer spelers die zojuist een wedstrijd hebben verloren, voor de tv verklaren dat ze ’aan voetballen niet zijn toegekomen’. Daar bedoelen ze kennelijk mee dat hun optreden niet blijk gaf van de bijzondere speltechnische en tactische vermogens waarover ze meenden te beschikken.
Getuige de tv-commentaren op het toernooi van Roland Garros heeft zich eenzelfde verbijzondering van de werkwoorden tennissen en spelen voltrokken. Van Roger Federer, die in de eerste set door Tommy Haas was overtroefd, heette het dat hij in de tweede ’begon te tennissen’. Van een ander werd meegedeeld dat hij na een zwakke start ’begon te spelen’.
De gewoonte om de gebruikelijke benaming van een sportbeoefening te reserveren voor de wat hogere niveaus ervan kenden we al uit de schaak- en damwereld. Minder getalenteerde spelers op de honderd velden dammen niet, ze schuiven. Over een lotgenoot op de vierenzestig velden heb ik horen opmerken dat hij niet zozeer schaakte als wel ’de stukken verplaatste’. Het is een vorm van taalgebruik waarmee al dan niet vermeende connaisseurs zich verheffen boven het plebs dat er aanspraak op maakt in hun schaduw te kunnen staan.
Een schaakmatador die hierin heel ver ging, was J.H. Donner. Toen Lodewijk Prins in 1965 kampioen van Nederland was geworden, schamperde Donner in De Tijd dat hij, Prins, ’geen paard van een loper kon onderscheiden’. Vrij algemeen werd deze uitdrukking opgevat als synoniem met de mededeling dat Prins niet kon schaken. Het regende protesten. Donner antwoordde dat hij er slechts op had willen wijzen dat Prins geen oog had voor de schaaktechnische betekenis van het loperpaar. Weinigen geloofden het, want de eerdere constatering dat Prins ’de zwakste speler van de hele wereld’ was, nam Donner niet terug.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.