Wintser, met een stomme e, noemde Toine van Peperstraten deze week een Engels stadje waar zich een ruiterwedstrijd afspeelde. Britten spreken van winze, maar de ’Studio Sport’-man ging kennelijk af op de misleidende schrijfwijze: Windsor.
Het is een onschuldig voorbeeld van een zogeheten spellinguitspraak: het verklanken van woorden alsof elke letter ten gehore moet worden gebracht.
Ook het Nederlands heeft ervan te lijden. Een extreme variant valt te beluisteren bij slachtoffers van de groene spelling die het, in een vlaag van plechtstatigheid, over kerkenraad en ruggenmerg hebben. Maar je komt het verschijnsel in veel bredere kring tegen: bij omroeppresentatoren die het lidwoord het laten horen zoals het gespeld wordt en bij iedereen voor wie Oisterwijk niet met een oo begint en die zeventig (al eeuwen met een begin-s) uitspreken met een z.
Het is een hebbelijkheid die van overdreven ontzag voor het geschreven Nederlands getuigt. Ze miskent dat het gesproken woord – en niet de allerminst vlekkeloze weergave ervan met letters – de eigenlijke vorm van de taal is.
Wel valt er binnen ons taalgebied over te twisten wat als spellinguitspraak moet worden aangemerkt. Dossier en handicap bijvoorbeeld, verklankt alsof ze oer-Nederlands zijn, gelden voor veel Vlamingen als dé gesproken vormen. Ook in Nederland kan een spellinguitspraak zich geleidelijk aan tot een natuurlijke woordvorm ontwikkelen. De Hedendaagse Van Dale vindt kornèdbief al een acceptabele benaming van het ingeblikte vlees dat op papier cornedbeef heet.
Voor Engelstaligen, en omroeppresentatoren die hen moeten nadoen, is het risico van een spellinguitspraak misschien wel extra groot. Vooral geschreven eigennamen kunnen heel misleidend zijn: zo staat het woordbeeld Marjoribanks voor Marchbanks, Beaulieu voor Bewly en Colquhoun voor Cohoon. Voor de BBC ooit reden om een uitspraakwoordenboek van British names in te voeren. Tip voor ’Studio Sport’: het is in de handel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.