*

 

Als vagina’s konden praten

Ger Leppers − 12/09/09, 00:00

Elegante humor en spitse dialogen typeren het proza van Diderot en veel van zijn tijdgenoten. Stéphane Audeguy steekt hen naar de kroon met een heerlijke roman over de frivole broer van Rousseau.

  • 'Twee vriendinnen in gesprek', getekend door de achttiende-eeuwse Franse kunstenaar Fragonard. (Coll. Boijmans van Beuningen, Rotterdam)
  • 'Twee vriendinnen in gesprek', getekend door de achttiende-eeuwse Franse kunstenaar Fragonard. (\N)

Is de achttiende eeuw de vrolijkste uit de geschiedenis van het menselijke denken? Wie schrijvers als Sterne, Voltaire of Diderot leest, zal gauw tot die mening overhellen. Hun baldadige satires over de maatschappelijke verhoudingen en het menselijk gedrag munten uit door een vrijmoedige manier van denken, en hebben weinig of niets aan actualiteit ingeboet.

Het mooiste van al die boeken is, wat mij betreft, Diderots roman ’Jacques de fatalist en zijn meester’. Het verhaal staat vol grappen en is schijnbaar richtingloos, maar geeft uiteindelijk een wijs, tegelijkertijd vrolijk en berustend beeld van het menselijk bestaan met al zijn ongerijmdheden.

Ook Diderots onlangs vertaalde eerste roman, ’De loslippige sieraden’, mag er zijn. Het boek is even levendig en snel als ’Jacques de fatalist’, bevat talloze vermakelijke uitweidingen over een bonte veelheid aan onderwerpen en is, hoewel niet helemaal van hetzelfde niveau, nauwelijks minder rijk en complex.

Uitgangspunt van deze filosofische vertelling is de vraag wat er zou gebeuren wanneer het sieraad dat de vrouwen tussen hun benen dragen kon worden gedwongen alles op te biechten waarvan het getuige is geweest.

De Afrikaanse potentaat Mangogul komt in het bezit van een toverring die hem dit vermogen geeft. Zijn favoriete, Mirzoza, weet hem ervan te weerhouden de ring op haar uit te proberen. Dat lijkt verstandig, want de onthullingen die gedaan worden in de loop van de dertig experimenten die de sultan met de ring uitvoert, zijn weinig verheffend.

De geslachtsdrift beheerst de levens van de dames en van de heren die met hun sieraden omgang hebben volkomen, wat noopt tot eindeloze hypocrisie en intriges. Het landsbestuur wordt bepaald door ondergrondse stromen van seksuele aantrekkingskracht. Of het goed en wenselijk is dat dit allemaal aan het daglicht komt, is maar één van de vragen die Diderot aan de orde stelt in dit boek – dat verder onder meer fraaie satirische uitvallen naar het bewind van de Zonnekoning en diens opvolger bevat die voor elk dictatoriaal bewind van alle tijden geldig zijn.

Jammer dat de verklarende noten zo beknopt zijn. Een uitgebreider toelichting had de lezer van vandaag op sommige punten meer inzicht verschaft. Het leesgenot staat dit echter geenszins in de weg. Diderots gevatte, razendsnelle humor en de ongeëvenaard flitsende dialogen garanderen ook nu nog een paar uur uitbundig leesplezier.

De jonge Franse schrijver Stéphane Audeguy, die eerder lof verwierf voor zijn boek ’De Wolkenbibliotheek’, heeft in zijn nieuwe roman ’Mijn broer, de enige zoon’ een geslaagde poging gedaan zich die typisch achttiende-eeuwse, spitse schrijfstijl eigen te maken.

Hij ging uit van een historisch gegeven dat hij putte uit het leven van de filosoof Jean-Jacques Rousseau - de sombere woudonanist te midden van al die opgewekte Franse en Engelstalige denkers van zijn tijd.

Rousseau had een broer, François, over wie nagenoeg niets bekend is. Audeguy maakt hem tot zijn hoofdpersoon, en tot de tegenpool van Jean-Jacques: een levensgenieter, boemelbaron, charmante oplichter, jarenlange bajesklant in de Bastille-gevangenis, bevriend met de Markies de Sade en met de eigenares van het meest luxueuze bordeel van Parijs.

François vertelt zijn bewogen levensverhaal op een opgewekte toon die, bekent hij, weinig gemeen heeft met ’de sentimentele stijl waaraan de familie Rousseau verknocht was’.

„Mijn talent,” meent hij, „was erin gelegen dat ik geen enkel talent had.” In deze handicap berust hij met virtuositeit: François is een opportunist die zich aan alle omstandigheden aanpast en overal het beste van weet te maken. „Ik heb gedaan wat ik kon om, op zachtmoedige wijze, bij te dragen aan de wanorde van deze wereld,” zo besluit hij zijn levensverhaal.

Audeguys boek leest als een schelmenroman, waarin de verrassende verwikkelingen over elkaar heen buitelen en de lezer bijna terloops een panoramisch beeld krijgt van het leven en denken in de jaren voor en tijdens de Franse Revolutie.

De elegante humor van de achttiende eeuw beheerst Audeguy daarbij volkomen. Zo omschrijft hij een biseksuele man als ’evenzeer de echtgenoot van alle vrouwen als de vrouw van alle mannen’.

Voor beide boeken geldt overigens dat de uitgebreide aandacht voor het seksuele zeker niet pornografisch is, maar ingegeven door nieuwsgierigheid naar wat de mens beweegt. In fraaie zinnen krabben beide schrijvers het vernislaagje weg dat de ware drijfveren van hun personages bedekt: Diderot met venijnige spot, Audeguy sierlijk en onderhoudend.

mailIcon print |