Wat een atoomaanval ook mocht verwoesten, niet de Nederlandse regelzucht. De overheid had kasten vol plannen. Alleen al de realiteit na de eerste atoombom, die op Hiroshima viel, toont de waanzin van de meeste van die scenario’s aan.
’Toen was geluk heel gewoon’, zong Gerard Cox in het door Van Kooten en De Bie geschreven lied ’1948’. Maar 1948 was niet alleen het jaar van legpuzzels, lange vingers en waxinelichtjes van Verkade. De Russische blokkade van Berlijn en de communistische machtsgreep in Tsjechoslowakije maakten duidelijk dat de Koude Oorlog definitief begonnen was. Acht jaar na de vlucht naar Londen bereidden de autoriteiten zich voor op een mogelijke nieuwe verhuizing van bewindslieden naar vrediger oorden. De vluchtoperatie heette Bezemsteell. Als de ministerraad compleet was, moest een generaal tegen de premier de zin ’Heks is gereed’ uitspreken.
Historicus Bart van der Boom riep negen jaar geleden al een wereld van knulligheid op in het fascinerende boek ’Atoomgevaar? Dan zeker BB. De geschiedenis van de Bescherming Burgerbevolking’ over de nooit helemaal serieus genomen organisatie die de nood moest helpen lenigen in geval van oorlog. HP/De Tijd-journalist Mark Traa onthult in ’De Russen komen!’ de bureaucratie die daar nog achter schuilging: operatie Bezemsteel, liquidatielijsten, noodhavenplannen, aardoliespreidingsprojecten en vooral grootscheepse evacuatieplannen.
Gevangenen zouden op vrije voeten komen, de ernstigste gevallen daargelaten. Hen laten toekijken hoe de rest van de bevolking zich uit de voeten maakte, zou immers onmenselijk zijn. Gebouwen zouden gevorderd moeten worden voor oorlogsdoeleinden. In stadion De Meer, waar het ene moment nog het elftal van Ajax triomfen vierde, konden niet veel later radioactief besmette reddingswerkers en burgers ontsmet worden. Carré, waar 's avonds Toon Hermans het publiek buikkramp van het lachen had bezorgd, kon ’s nachts al in gebruik zijn als mortuarium voor Amsterdamse atoomdoden. Ambtenaren wisten zo ongeveer alles te berekenen: hoe groot en hoe diep massagraven moesten zijn, hoeveel graafmachines er op een dag konden uitdiepen en hoeveel vrachtwagens nodig waren voor de aanvoer van de stoffelijke overschotten.
Ook bijzonder: de autoriteiten hielden er lijsten met doelen op na met het verwachte aantal kilotonnen. De voorspellingen waren van een verbazingwekkende precisie. Zo werd er op een zeker moment vanuit gegaan dat de voor Den Haag bestemde bom neer zou komen op het eilandje in de Hofvijver voor het Torentje van de minister-president.
Dankzij allerlei beschermende maatregelen, verzekerde minister Beel de Eerste Kamer in 1955, „kunnen we het aantal slachtoffers terugbrengen tot slechts enkele procenten van de massale verliezen die wij zouden leiden, indien we niets deden”. Prognoses maakten zulk optimisme al snel ongeloofwaardig. In 1956 verwachtte de legerleiding nog dat er in geval van oorlog drie tot vijf atoombommen op Nederland zouden vallen, een jaar later waren dat er al zes tot tien. De verwachte slachtofferaantallen werden ook steeds dramatischer: van 200.000 doden en evenveel gewonden in 1962 naar zes miljoen doden en twee miljoen gewonden in 1971.
Dat voorspelde apocalyptische toestanden waar geen vooraf bedachte scenario’s meer hielpen. Niet het schuilen onder de keldertrap uit de in 1961 verspreide folder ’Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf’. Ziekenhuizen zouden, als ze nog overeind stonden, niet meer berekend zijn op een stormloop van patiënten. Zeker niet als het merendeel van het medisch personeel overleden of zorgbehoevend was.
Traa heeft prachtmateriaal opgediept. Schrijnend is de denkwijze van Louis Einthoven, hoofd van de inlichtingendienst, die constateerde dat de krijgsmacht te klein was voor een echte verdediging van Nederland en daarom maar beter ingezet kon worden voor de evacuatie van de maatschappelijke en bestuurlijke elite. Als het al niet was uit te leggen aan de soldaten, kon hen nog altijd met schijnmotiveringen zand in de ogen worden gestrooid.
Helaas ontstijgt het boek van Traa zelden het niveau van een aan elkaar geregen verzameling archiefvondsten. Chronologie ontbreekt, zodat er ook geen scherp beeld ontstaat van de ontwikkelingen in het denken over de plannen. De schrijver heeft sowieso een voorkeur voor de scenario's zelf, waardoor de discussies voor- en achteraf onderbelicht blijven. En was het niet aardig geweest om eens na te gaan hoe startklaar alle diensten stonden toen het er echt om spande, zoals tijdens de Cubacrisis in 1962?
John Hersey schreef in 1946 voor The New Yorker op wat een atoombom eigenlijk aanricht. Zijn reconstructie volgde zes inwoners van Hiroshima vlak voor, tijdens en na het vallen van de vierduizend kilo zware Little Boy, de bom die op 6 augustus 1945 oorlogsvoering voorgoed veranderde. Veertig jaar later ging hij nog eens terug om de rest van hun levensverhaal op te tekenen.
In een stad met 245.000 zielen waren bijna honderdduizend mensen op slag dood of ten dode opgeschreven. Nog eens honderdduizend waren gewond. Van de negentigduizend gebouwen waren er 62.000 verwoest. De overlevenden wisten niet wat hen was overkomen. Wat was dit voor een ongekend krachtig wapen? Sommigen hielden het op een molotovbloemenmand, de nogal poëtische term die de Japanners reserveerden voor een clusterbom.
Alleen al het licht van Little Boy maakte ontelbare slachtoffers. Bij soldaten die zich niet afwendden, smolten de ogen in hun kassen. Witte stoffen weerden het licht af, donkere absorbeerden dat juist. Reden waarom bij sommige vrouwen de bloemen op hun kimono's zich in de huid brandden. Medici zagen de eigen gelederen uitgedund en waren onthutst bij de aanblik van zoveel rauw vlees, verkleefde huid en etterende wonden. Ze deden wat ze konden, maar van systematiek was nauwelijks sprake. Planten kwamen spontaan tot bloei. Aardappels kwamen geroosterd uit de grond.
Toen tot Hiroshima berichten doordrongen dat een atoombom was gebruikt, werd dat in eerste instantie niet begrepen en ook nauwelijks geloofd. De resterende bevolking hield liever vast aan de geruchten over het gebruik van magnesiumpoeder. Toen de waarheid niet meer te ontkennen viel, overheerste de gelatenheid. ’Niks aan te doen. Pech gehad.’
De kracht van Hersey's relaas is de nuchtere toon. Hij liet de feiten voor zich spreken. Die zijn – nog steeds – onthutsend. Little Boy mocht dan tweeduizend keer zo zwaar zijn als alle tot dan toe gebruikte bommen, in vergelijking met de veel krachtiger nucleaire wapens was het letterlijk een kleine jongen. Bovendien kreeg Hiroshima slechts één bom te verduren.
Mark Traa refereert aan het slot van zijn boek nog even aan de in onze tijd gangbare rampenbureaucratie. Het gevaar komt uit een ander oosten. Nederland probeert zich met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en de honderdduizenden die met hem moeten waken te wapenen tegen terroristen.
De grootste vrees voor het atoomgevaar is weggezakt. H.J.A. Hofland haalt in zijn nawoord bij Herseys ’Hiroshima’ de spanning rondom de Cubacrisis aan, waarbij hij overigens de fout maakt om te stellen dat die leidde tot een ontmoeting tussen John F. Kennedy en Nikita Chroesjtsjov (terwijl de volgorde toch echt andersom was: juni 1961 de ontmoeting, oktober 1962 de crisis). De journalist had net zo goed de eerste helft van de jaren tachtig kunnen noemen, toen het nucleaire doemdenken dankzij het debat over de plaatsing van kruisraketten nooit ver weg was.
Tegenwoordig lijkt het onderwerp verdrongen naar de randen van het bewustzijn. Merkwaardig, want voor de overzichtelijke wereldorde van de Koude Oorlog is een wereldwanorde in de plaats gekomen. Alleen al het instabiele Pakistan lijkt met zijn behoorlijke nucleaire arsenaal en vrijuit opererende extremistische groeperingen een bedreiging voor de wereldvrede. Om nog maar te zwijgen over de atoomaspiraties van de regimes in Teheran en Pyongyang.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.