*

 

De Saaien en de Braven haatten elkaar als vergif

Bas Belleman − 27/06/09, 00:00

Paul Marijnis was een eigenzinnige schrijver. Dat blijkt eens te meer uit zijn postuum verschenen roman ’Waandag’: een grappige, virtuoze ode aan de taal.

Vorig jaar overleed Paul Marijnis. Omdat hij pas debuteerde toen hij achter in de veertig was, heeft deze eigenzinnige schrijver maar een klein oeuvre op zijn naam: drie romans, een poezenverhalenbundel en twee dichtbundels. Treurig dat er niet nog veel meer bij zal komen.

Marijnis’ sprankelende, laatste roman is kort geleden postuum verschenen; ’Waandag’ heet het boek, en dat is volgens hoofdpersoon Linus Kalmoes de eerste dag van de week: waandag, dansdag, wensdag, zonderdag, vleidag, satiredag en ondag. Kalmoes beseft dat hij een personage is, maar zijn psychiater en hospita willen hem niet geloven.

Zo’n boek is het: vol woordgrappen, dubbele bodems, allegorieën, satire en tekenfilmachtige scènes. De sfeer doet een beetje aan Mary Poppins denken. In die musical kan ook alles, en je zou er niet vreemd van opkijken als de gouvernante opeens zou beweren dat ze maar een verzinsel is.

Als Kalmoes gaat wandelen met Marietje, het grove, wereldwijze meisje dat we kennen uit Marijnis’ vorige romans, lopen ze door een absurdistische, uit taal bestaande wereld. Zo passeren ze een winkel die ’alle verbuigingen’ verkoopt: „Achter het glas stonden gedaantes in witte maillots, kronkelend als kurkentrekkers.”

Zo’n melig ommetje staat of valt met de virtuositeit van de schrijver, en virtuoos was Marijnis zeker. Hij wisselt flauwe grappen af met briljante typeringen zoals het ’gootsteenkleurige knotje’ van zijn hospita en een bril als een ’dubbelloops aquarium’. Hij knipoogt ook naar andere schrijvers, onder wie K. Schippers: Linus komt een kleuter tegen die thuis een tapijt van mussen heeft. Dat is een citaat uit een gedicht van Schippers over mussen die in het park kruimels opeten.

Het nadeel van dergelijke boeken is dat ze een zweem van willekeur dragen: er hadden nog tien andere scènes in gekund en sommige scènes kun je overslaan zonder dat het verhaal onbegrijpelijk wordt.

Maar ’Waandag’ is zo grappig en dwars dat ik daar niet echt mee kan zitten. Neem nu de Polemieken die twee groepen studenten van de Grote School vroeger uitvochten: „Ze waren verdeeld in twee partijen die elkaar haatten als vergif, de Saaien en de Braven. Herkenbaar aan de hoeden: de Saaien droegen zwarte flesvormige hoeden om aan te geven dat het ze om de inkt ging en de Braven witpapieren mijters omdat ze kozen voor het papier. En dan maar knokken.” „Ze gooiden medeklinkers naar elkaar”, vertelt Linus aan Marietje.

Het heeft weinig zin om te vertellen om het verhaal samen te vatten, daar lijkt het niet voor bedoeld. Marietje en Linus komen in een Chinees restaurant waar ze ’eng gatsie’ gaan eten en bezoeken daar een orakel in een bezemkast. Ze komen ook in een kroeg waar ze aangenaaide oortjes in potjeslatijn verkopen. Het geheel eindigt in een proces tegen Linus, waarin zelfs het woord als getuige wordt opgeroepen. Eén grote kolder.

Zoals Linus in het Chinese restaurant somber tegen Marietje zegt: „Het doel van de weg is de manier waarop je hem aflegt”. Deze oosterse wijsheid geldt des te sterker voor ’Waandag’, waarin de plot alleen interessant is omdat er boeiend naartoe geschreven wordt.

Schrijver en criticus Ilja Leonard Pfeijffer was met Marijnis bevriend en heeft eens beschreven hoe diens stamcafé na zijn dood een tafeltje vrijhield en er een kaars brandde: „Even leek het alsof ik hem zag zitten met een glas witte wijn aangelengd met water (’bocht’, noemde hij dat), met een boekje van Lewis Carroll of Oscar Wilde achter een volle asbak, mopperend op de wereld en de Nederlandse literatuur in het bijzonder.”

In die eigenzinnige, geestige, mopperaar herken je inderdaad meteen de schrijver van ’Waandag’.

mailIcon print |