Een kleine stad in de Verenigde Staten in de jaren twintig van de vorige eeuw. Een veertienjarige jongen zit met zijn emoties in de knoop. Zijn moeder is overleden en zijn vader heeft de deur naar het tonen van gevoelens al lang geleden dichtgegooid: hij vond zijn zoon met zes jaar al te oud voor een nachtkus. „En op dat moment begonnen mijn gevoelens voor hem te veranderen; ik werd voorzichtig, afstandelijk.”
William Maxwell (1908 - 2000) groeide zelf op in zo’n kleine stad, zonder moeder en met een vader die geen troost kon bieden. Het is een thema dat voortdurend in zijn boeken terugkeert, zoals in ’They Came like Swallows’, zijn tweede roman uit 1937, maar ook in de hier besproken roman uit 1980.
De jongen uit ’Tot ziens, Tot morgen’ sluit aarzelend vriendschap met een leeftijdsgenoot, Cletus, die hij niets over ’de schipbreuk in zijn leven’ vertelt. Dan vermoordt de vader van Cletus iemand, waarna de jongens elkaar niet meer zien. „We werden door een pistoolschot gescheiden.”
Anderhalf jaar later komt hij Cletus tegen in een andere stad, in de gang van een grote middelbare school. Nu hebben beide jongens een tragedie meegemaakt, maar het brengt ze niet nader tot elkaar. Onthutst als het hoofdpersonage is, zegt hij niets.
Pas later weet hij wat hij had kunnen doen. Hij had een stukje met Cletus mee kunnen lopen, desnoods zwijgend, hij had iets kunnen zeggen in de trant van ’Ik heb ervan gehoord. Wat erg’, of hij had Cletus kunnen geruststellen door te zeggen dat hij met niemand op school over de moord zou reppen. Maar dat hij niets zei, terwijl hij de herkenning in Cletus’ ogen zag, bezorgt hem de rest van zijn leven een schaamtegevoel: „Er kunnen vijf of tien jaar voorbij gaan zonder dat ik ook maar een moment aan Cletus denk en ineens gebeurt er dan iets wat me aan hem herinnert [...] en ik krimp ineen bij de gedachte dat ik niets tegen hem zei.”
Maxwell is zo’n auteur die de grote gevolgen van een kleine gebeurtenis overziet en daar een hele roman mee kan boeien. Hij doet dat in een elegante stijl, op melancholieke toon. De kwetsbaarheid, later weemoed, van de verteller doordrenkt de hele tekst, het zit in alle gedachten en alle gesprekken. En het zit bovenal in het onvermijdelijk, onomkeerbaar voortschrijden van de tijd, een onderwerp dat in de hele roman terug blijft keren. Zo weet de verteller dat een herinnering niet zuiver is: „De ’herinnering’ waar wij ons met zoveel vertrouwen op beroepen – doelend op een moment, een voorval, een feit dat is blijven hangen, en daarom aan de vergetelheid is ontrukt – is alleen maar een onderdeel van een verhaal dat ons telkens door het hoofd speelt, en dat al doende verandert.” Mogelijk voelt hij zich nog steeds schuldig over iets wat Cletus zelf na al die jaren niet eens meer weet, hij had immers wel grotere problemen aan zijn hoofd. Als hij Cletus zou opsporen zou het wel eens kunnen blijken ’dat ik al die moeite voor mezelf deed, en niet voor hem’.
’Tot ziens, tot morgen’ is het eerste boek van Maxwell dat in het Nederlands is vertaald. Hij schreef in totaal zes romans, een aantal verhalenbundels en zijn memoires, allemaal in diezelfde precieze, gedetailleerde stijl die hij zijn leven lang volhield. Als hij niet zelf schreef, begeleidde hij andere auteurs: veertig jaar lang, van 1936 tot 1976 was hij redacteur bij The New Yorker. Het werken met Vladimir Nabokov, Maeve Brennan, Mary McCarthy, J. D. Salinger en John Updike heeft zijn eigen werk ongetwijfeld gevormd.
In het voorwoord bij ’Tot ziens, tot morgen’ schrijft Richard Kümmerlings: „Maxwells romans en verhalen zijn archieven die mensen en dingen van een lang vervlogen tijd bewaren”. Treffender valt zijn werk wellicht niet te karakteriseren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.