*

 

De wrok van een gewone man

Jaap Goedegebuure − 10/10/09, 00:00

De verteller uit ’Door mijn schuld’, verder een keurige man, voelt zich niet erkend door zijn intellectuele familie. Dat leidt tot agressie.

  • Désanne van Brederode.
  • Désanne van Brederode. (FOTO WERRY CRONE, TROUW)

Nadat ze zich in haar romans ’Het opstaan’ (2004) en ’Hart in hart’ (2007) had beziggehouden met eigentijdse problemen als suïcide en overspel, stapt Désanne van Brederode in ’Door mijn schuld’ over naar het volgende morele mijnenveld: dat van de moord. De opzet doet een beetje denken aan Marcellus Emants’ klassiek geworden boek ’Een nagelaten bekentenis’. Daarin biecht een man op hoe hij zijn vrouw om zeep geholpen heeft.

Anders dan deze Willem Termeer is Van Brederode’s verteller geen misantropisch ingestelde sukkel, maar een modelburger. Toch heeft hij in een vlaag van woede doodslag begaan. Hij wordt gearresteerd en veroordeeld, overigens na een hardnekkige en consequent volgehouden ontkenning van zijn kant. Hij wist zelfs zo goed de onschuldige uit te hangen dat het publiek hem blindelings geloofde en hem de status van martelaar toekende.

Vanwaar deze leugenachtigheid bij een man die toch de oppassendheid zelf is? Van Brederode geeft haar held ruim baan om zich te verklaren.

Gunnar is het jongste kind in het succesvolle gezin De Wit. Vader heeft het gebracht tot hoogleraar Zweeds en drie van zijn zoons en zijn enige dochter deden niet veel voor hem onder. Maar Gunnar bleek op school geen hoogvlieger. Meer dan een diploma van de bakkersschool zat er voor hem niet in. Hij heeft daar overigens niet al te zeer onder geleden, lijkt het. Hij trouwde met een meisje van de gestampte pot, en alle keren dat hij merkte hoe diep zijn familie op haar neerkeek, verdedigde hij haar, ook tegen beter weten in. Uit loyaliteit met haar werd hij immuun voor de waarden die hij meekreeg: literatuur, kunst, een humanistisch mensbeeld, progressieve opvattingen als het om politiek gaat, en wat er verder nog past in het profiel van Ons Soort Mensen dat zich behalve een huis bij het Amsterdamse Vondelpark ook een liberale levenshouding kan permitteren.

Maar afkomst verloochent zich nooit. Gunnar, die zich inmiddels Koen is gaan noemen, mag dan vrijwillig zijn ondergegaan in de kleinburgerlijkheid, in het bijzijn van collega’s verraadt hij zich toch door zijn spraak, zijn tafelmanieren en zijn esthetische voorkeuren. Geen wonder dat zijn nieuwe baas hem in ere houdt wanneer Gunnar de voedingssector heeft verruild voor de meubelhandel. Niemand is immers beter in staat om het klanten van alle rangen en standen naar de zin te maken en zo de omzet te verhogen.

Via zijn werk komt Gunnar in contact met een parvenuerig zakentype. Na verloop van tijd wordt deze Evert zijn beste vriend,vooral omdat hij onze held het gevoel geeft dat hij als gelijkwaardige wordt behandeld. De twee mannen ontdekken zelfs de nodige zielsverwantschap in elkaar. Groot is dan ook Gunnars teleurstelling als hij vermoedt dat de vriendschap een dekmantel is voor minder fraaie oogmerken. In een opwelling gooit hij een steen naar Everts hoofd, met fatale gevolgen.

Het ging Van Brederode er duidelijk niet om de zoveelste damesthriller te schrijven. We mogen meteen weten wie het gedaan heeft. Vervolgens reconstrueert de dader omstandig en met de nodige stilistische onhandigheden hoe het allemaal zover gekomen is. Het zal geen verrassing zijn dat hij, ondanks alle blijken van het tegendeel, wel degelijk rancune koestert jegens de kringen waaruit hij stamt maar waar hij, half tegen wil en dank, niet langer thuis is. Zolang Evert hem, anders dan zijn naaste familie, accepteerde zoals hij was, had hij geen last van zure oprispingen, maar wanneer hij aan diens oprechtheid begint te twijfelen, breekt de wrok door als een verwaarloosde zweer.

Aan het slot van zijn relaas lijkt Gunnar de ware reden voor zijn wandaad te hebben ontdekt: Evert was hem zo verwant dat hij hem te dicht op de huid dreigde te komen. Maar door hem te doden, vermoordde Gunnar in zekere zin ook zichzelf. Was hij voordien al een solitair die alleen maar deed of hij bij anderen betrokken was, nu is hij niets meer dan een geamputeerde persoonlijkheid, net goed genoeg om bij vrouwlief op de bank te zitten en de huishouding te doen.

Deze finale diagnose is al voorbereid door Gunnars bekentenis dat hij van jongsafaan nooit heeft kunnen kiezen en volkomen gespeend bleef van elke passie. Wat dat betreft heeft hij veel gemeen met degenen die Van Brederode, getuige de titel van haar tweede roman, wegzet als’ ’mensen met een hobby’, bleke zielen zonder enige verbeelding of gedrevenheid.

Nu wil de ironie dat Gunnars echtgenote enthousiast reageert wanneer hij, na zijn vrijlating op zoek naar een bezigheid, een boek begint te schijven. „Fijn dat je een hobby hebt”. En inderdaad, Gunnar schrijft als een oprechte amateur, kijkt niet op een pagina meer of minder, vermeit zich in ellenlange uitweidingen over het bakkerswezen en de meubelhandel, en kauwt alles, van aanleiding tot conclusies, tot het bot toe uit. Als zijn manuscript ooit bij een uitgever terecht was gekomen, had een redacteur er beslist weken lang werk aan gehad. Daarom is het de vraag waarom Désanne van Brederode, die als ghostwriter achter Gunnar schuilgaat, de roman die we nu in handen hebben niet heeft teruggebracht tot een omvang van hooguit tweehonderd pagina’s.

mailIcon print |